I Love Art, You Love Art, We All Love Art, This is Love.
Een pamflet over de kunstwereld
Frank Vande Veire
‘Kunst ontroert. Kunst glimlacht. Kunst verzoent. Verrast. Of trapt een geweten. Kunst maakt wakker. Kunst danst. Zingt. Roept. Acteert. Kunst schreeuwt. In schilderijen. Fluistert. In gedichten. Kunst wil bestaan. Moet bestaan. Door sponsors. Door KBC. Een bankverzekeraar van nu. Voor mensen van nu. Die bezield zijn door het leven. Door cultuur. Door Kunst. Met een grote of kleine K. Voor grote emoties. Mensen die willen voelen. Lachen. Huilen. Applaus geven. Of stil worden. Heel stil. Mensen zoals u. Zoals wij. Mensen zoals KBC.’
I am back from the death and on the way to the parting under the sound of the thousand cameras. Click click click...
Jan Fabre, Angel of Death
‘In de 21ste eeuw schreeuwt de kunst de slapers wakker.’ Deze zin staat op een kaart die een tijd geleden werd rondgestuurd door het SMAK, ondergetekend: Sas van Rouveroij, Eerste Schepen. Op de achterkant van de kaart een foto van het befaamde kunstenaarskoppel Abramovic en Ulay dat elkaar van heel dichtbij in het gezicht schreeuwt. De kaart richt zich ongetwijfeld niet tot degenen die nog wakker geschreeuwd moet worden, maar tot degenen die al wakker zijn. Alleen zij kunnen immers begrijpen dat ‘kunst de slapers wakker schreeuwt’. Al wie de kaart in de bus krijgt voelt zich meteen behoren tot de wakkeren die aan de kant van de kunst staan, niet tot degenen die tot op de dag van vandaag nog steeds niet wakker zijn en dus nog moeten worden wakker geschreeuwd. - Gelukkig dat wij al lang de wakkere vrienden van de kunst zijn. Gelukkig dat wij de kunst niet meer nodig hebben om te ontwaken. Wij zijn immers al wakker en de tijd dat wij ooit door de kunst werden wakker geschreeuwd is zo veraf dat wij er ons niets meer van kunnen herinneren. Maar wij houden toch nog van de ontroerende aanblik van al die mensen die staan aan te schuiven om door de kunst te worden wakker geschreeuwd en zich, de slaap uit de ogen wrijvend, langzaam aan braafjes bij ons voegen. Ze geven ons het warme gevoel dat kunst nodig is. Zij geven gestalte aan ons geloof in de kunst. Wij, de wakkeren, kijken elkaar vol verstandhouding aan. Neen, de kunst schreeuwt ons niet wakker, zij herinnert ons aan onze wakkerheid. Zij knipoogt naar ons en wij knipogen terug. Dat is wel een beetje een saaie boel, maar het vervult ons toch met tevredenheid. - ‘Wij hebben het geluk ontdekt, zeggen de laatste mensen, en knipogen.’ (Nietzsche, Zarathoestra)
Kritiek als fetisj, of: zolang we maar blijven praten
De moderne conditie van de kunst houdt in dat, zoals Adorno zei, niets wat de kunst aangaat nog vanzelfsprekend is, zelfs niet haar bestaansrecht. Nog tot ver in de negentiende eeuw was de kunst bij voorbaat gelegitimeerd, en wel omdat zij schoonheid schonk. Zij gaf de mensen daarmee een aangenaam gevoel, vervulde hen met een soort zoete melancholie, een geluksbelofte die aan zichzelf genoeg heeft en die het tegenbeeld vormt van de burgerlijke wereld waarin alles draait om beheersing en kille berekening. Gedwongen binnen de grenzen van de schoonheid, was de kunst monddood: ‘Tais-toi et sois belle’.
De avant-garde bevrijdde de kunst van de plicht schoon te zijn. De kunst van de avant-garde toonde een realiteit die door de burgerij steeds was toegedekt. Kunst werd verbonden met kritiek, provocerende ontluistering. Kunst moest verontrusten. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is dit avant-gardistisch gedachtengoed uitgehold. Kritiek, provocatie, vervreemding, verontrusting zijn ingeburgerde begrippen geworden. Kunst is nu niet meer a priori gelegitimeerd omdat ze schoon is, maar juist vanwege haar zogenaamd kritische dimensie. Iedereen is er sinds lang van overtuigd dat kunst nodig is juist omdat ze ‘controverses uitlokt’, ‘pijnlijke kwesties aansnijdt’, de mensen ‘uitdaagt’, hen ‘wakkerschudt’, enzovoort. Tentoonstellingsmakers, museumdirecteurs, galeriehouders, verzamelaars, critici en het ruime publiek waarop hedendaagse kunst ondertussen kan bogen, vinden elkaar in het geloof dat kunst vanwege haar kritisch gehalte bijdraagt tot een meer ‘open’ samenleving: democratisch, ruimdenkend, tolerant, multicultureel... Kortom: de idee dat kunst mensen, desnoods tegen hun zin, wakkerschudt, is in de kunstwereld tot een fetisj geworden, die men als een balletje naar elkaar toegooit opdat men er vooral zelf niet zou moeten mee blijven zitten. Deze idee is zodanig uitgehold dat er wel een moment moest komen dat het zijn zegen zou krijgen van de koning van België die ons onlangs op het hart drukte dat cultuur ‘het wederzijds begrip, de verstandhouding en de verdraagzaamheid’ in de samenleving bevordert.
Er is hier iets heel vreemds aan de hand, iets van mystiek-religieuze aard. ‘Kritiek’ is in de kunstwereld niet iets waartoe het kunstwerk mobiliseert, een opdracht waarmee het ons opzadelt, neen, het is een soort aura geworden dat men inademt zodra men zich in de buurt van kunst beweegt. Wanneer men het in de kunstwereld heeft over ‘kritiek’, dan houdt dit niet in dat men kritisch onderzoekt en analyseert, het betekent dat men zich een houding aanmeet, namelijk een houding waarmee men zijn scepsis laat blijken tegen alle uitgesproken meningen, theorieën, wereldbeelden, analyses, programma’s. Immers: elke al te scherp omlijnde visie op wat dan ook zweemt al te veel naar een ‘Groot Verhaal’, en het is passend hiervoor de wenkbrauwen te fronsen of ironisch te glimlachen. Het achterlijkste dat je in de kunstwereld kunt doen is een visie uit te werken of grondig door te denken. Het is trouwens ook niet netjes: wie een visie al te serieus neemt, glijdt al gauw af naar intolerantie, dogmatisme, fanatisme, misplaatste bekeringsijver. Visies dienen eigenlijk enkel om geïroniseerd, gerelativeerd, gedecontextualiseerd, ‘gesampeld’, geconsumeerd te worden.
De idee overheerst dat wie zich al te zeer in een visie engageert, zijn openheid verliest voor talloze andere mogelijke visies. Maar deze openheid voor alles wat anders, nieuw en onvoorspelbaar is, is in de grond een vreesachtige geslotenheid. Alleen iemand voor wie er nooit meer iets op het spel staat, kan openstaan voor van alles en nog wat. Zolang alle visies even interessant en waardevol blijven, zijn ze geneutraliseerd. ‘Ja, maar dat is uw mening’. Uiteindelijk bestaat ‘kritisch’ zijn erin dat men zich op de vlakte houdt, dat men, in mysterieus zwijgen gehuld, de anderen aanhoort. Of er bestaat ook een andere strategie, maar die komt op hetzelfde neer, namelijk eindeloos ideeën uitwisselen. Nergens is de vrijblijvende tolerantiemoraal die zo eigen is aan de postmoderne cultuur, zo dwingend als in de kunstwereld. Het is al lang bekend dat binnen deze wereld elk sociaal, politiek of cultureel probleem kan worden aangesneden zonder dat ooit iemand de verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor wat hij zegt. Men houdt er vooral van dat er gecommuniceerd wordt, het liefst zoveel mogelijk, en het liefst ‘over alle nationale, linguïstische, culturele, etnische en geslachtelijke grenzen heen’. Niet over de ideeën is men enthousiast, maar over de gezamelijke bereidheid ze met elkaar uit te wisselen: op debatten, rondetafelgesprekken, workshops, presentaties, en uiteraard ook op het Wereldwijde Web. De kunstwereld is een over de hele wereld vertakt reservaat van vloeiende, tolerante communicatie en realiseert in die zin, zij het in de softe wereld van de kunst, Bill Gates’ utopie van van een ‘frictionless capitalism’. Het in de kunstwereld zo populaire vertoog over de openheid voor het ‘andere’ en voor ‘verschillen’ dekt af dat in deze ijle wereld alle harde, onverdraaglijke verschillen bij voorbaat zijn uitgewist. Dat reflecteren over de ‘wereld’ niet meteen van nut hoeft te zijn, is hier een alibi voor een moreel narcisme: de kunstwereld verlustigt zich aan zichzelf als aan het beeld van een geslaagde, democratische, niet-hiërarchische mondialisering. Zij ervaart zich als het altijd weer even fris en onschuldig openbloeiende ‘hart van een harteloze wereld’ (Marx). Iedereen houdt zo van zijn goede bedoelingen, van zijn openheid die helaas door de wereld buiten de kunst wordt beschaamd. Zolang wij - op vliegvelden en museumcafé’s - met elkaar blijven praten is er nog hoop voor de wereld! Wij praten in de plaats van die miljoenen anderen, zoals de nonnen destijds baden in de plaats van de talloze minder vurige gelovigen...
Dit is ook zo verdacht aan het overal gedebiteerde antimodernistische, multiculturele vertoog over de pluraliteit van stijlen, visies en identiteiten, of - cliché der clichés! - over de vrolijke vermenging van ‘high art’ en ‘low art’. Het probleem is niet alleen dat dit een slap vertoog is, omdat het, buiten het principe dat men niets mag uitsluiten, geen enkele leidraad heeft,- het probleem is vooral dat achter deze vrolijke cultus van de diversiteit een taboe schuilt op juist datgene aan de moderne kunst dat het verdient om bewaard te blijven: de argwaan tegenover de voorstelling, het inzicht in de verstrengeling van macht en voorstelling, het inzicht dat de voorstelling nooit onschuldig is. Dit verleent het kunstwerk onvermijdelijk een reflexief karakter. Wie deze reflexiviteit als etnocentrische arrogantie of elitair intellectualisme afdoet, opent de deur voor een reductie van de kunst tot de esthesis: de emotie, de belevenis - als het ons maar raakt, als we er maar iets bij voelen! Ondere het mom open te staan voor niet-westerse kunstvormen of populaire beeldcultuur, opent men kritiekloos de deur voor allerlei vormen van politieke, religieuze, romantiserende of moraliserende retoriek ten koste van een reflectie op die retoriek. Het pluralistische en multiculturele vertoog leidt dan ook tot een eenheidsworst. Dit hebben we in de laatste Documenta kunnen zien: veel pakkende voorstellingen van en over ‘anderen’, maar weinig andersoortige voorstellingen. De kunstenaar ‘schopt ons een geweten’, maar heeft omtrent de retoriek van die schop blijkbaar een volmaakt goed geweten. Dat de retoriek van de voorstelling, hoe goed bedoeld ook, zelf een probleem kan zijn, niet zomaar een intrinsiek-artistiek luxeprobleem, maar een politiek probleem, dit lijkt een gedachte voor ouderwetse modernisten.
Good Vibrations
Er klinkt iets verschrikkelijk vals aan het hedendaagse gehamer op de maatschappelijke relevantie van kunst. Curatoren, politici en critici geven schouder aan schouder blijk van hun rotsvaste overtuiging dat het goed is voor de samenleving dat er kunst is. Iedereen is doordrongen van dat Goede Gevoel omtrent kunst! Maar stel dat deze iedereen niemand is. Stel dat dit Goede Gevoel hoog boven ons uit zweeft als een onwerkelijke luchtballon in de grijze hemel van de kunstwereld. Stel dat deze massale omhelzing van de kunst een symptoom is van een algehele vermoeidheid en verveling. Het enthousiaste vertoog over de noodzaak van de kunst klinkt zo drammerig dat de vraag rijst of men zichzelf wel gelooft. Het heeft iets manisch,- manie als stadium van de melancholie waarbij men het verloren object, in dit geval de kunst, op een geëxalteerde wijze in zich voelt oprijzen.
Manisch is in elk geval het vertoog over het huwelijk tussen kunst en Leven, waarmee journalisten en curatoren ons nu al enkele decennia bestoken. Uiteraard weet iedereen al lang dat het hier om een schijnhuwelijk gaat, maar men cultiveert graag die droom, houdt ervan het publiek ermee te verleiden. Men verleidt het publiek telkens weer met de romantisch droom van een wereld waarin kunst nog het cement van de samenleving was, een feest of ritus die de mensen met elkaar verbond.
Deze droom van een kunst die ‘zijn plaats middenin het leven’ zou terugvinden, bespookt overigens ook de kunst zelf. Er is enerzijds het soort kunst dat zich op een opzichtige manier tot zijn publiek wendt, het soort kunst waaraan men voelt: ‘hier wordt een reactie van mij verwacht’. Men spreekt tegenwoordig zelfs over ‘art relationel’. Het feit dat men zo’n gedrochtelijk concept zijn ingang kan vinden, is op zichzelf symptomatisch. Een soort kunst dat er zonder blozen voor uitkomt dat het een ‘relatie’ met ons wil aangaan! Kunst die door het publiek moet geholpen worden! Kan men zich iets troostelozer, maar ook: iets obsceners voorstellen? - Maar er is uiteraard ook nog kunst die zich meer terughoudend, meer ‘autonoom’ opstelt. Helaas gaat het hier al te vaak om kunst die niet veel meer doet dan melancholisch de Idee van de Kunst celebreren: kunst dat enkel een teken is van wat Kunst ooit had kunnen geweest zijn.
De kunst zelf lijkt, opgezweept door de media, behept door een manisch verlangen naar zichzelf dat een teken van uitputting is. En hoe meer men ons van de vitaliteit van de kunst wil overtuigen, hoe meer men dit verraadt. Hoe enthousiaster de media, in het zog van bepaalde curatoren, op de maatschappelijke relevantie en het humane belang van de kunst hameren, hoe hardnekkiger ze voor zichzelf en hun publiek verzwijgen dat het hier om een grootscheeps georganiseerd rouwbetoon gaat.
Alles wijst erop dat men ons iets wil verbergen. Wat men ons - maar eerst en vooral zichzelf - wil verbergen, is dat kunst ons misschien helemaal niet zoveel te zeggen heeft, dat we er meestal weinig van begrijpen, dat we er nogal wezenloos tegen aankijken, dat we niet goed weten wat we er mee moeten aanvangen. En is nu net dít niet fataal voor de kunst, namelijk dat men het publiek zijn wezenloosheid, zijn onbegrip, zijn ervaringsarmoede niet gunt, dat men het zijn grondige onbevredigdheid over wat de kunst hem biedt wil uit het hoofd praten? Misschien maakt dit voor ons Hegels gedachte over het ‘einde van de kunst’ zo bevreemdend actueel: wanneer iedereen ervan overtuigd is dat het goed is dat er kunst is, wanneer iedereen heilig gelooft in de noodzaak van de uitdaging die van haar uitgaat, dan is het helemaal met de kunst gedaan, want dan heeft de vraag naar wat kunst nu eigenlijk voor ons betekent, welk appèl ze op ons doet, geen ademruimte meer.
Op de Documenta 9 was een pakje sigaretten te koop waarop te lezen stond: ‘die Kunst bietet keine klare Antworten, nur Fragen’, ondertekend: Jan Hoet. Dit is je reinste fetisjisme: wie dit pakje op zak heeft staat meteen op goede voet met de vragen die de kunst hem stelt. Dit onschuldige pakje belichaamt de ellende van de kunstwereld: als iedereen zich lekker voelt bij de vragen die de kunst hem stelt, voelt niemand zich nog uitgedaagd door welke vraag dan ook. Iedereen stelt zich bij voorbaat op de plaats van het kunstwerk waarvan de vraag uitgaat. Iedereen mimeert met een uitgestreken gezicht of ironische glimlach het onarticuleerbare, mysterieuze van die vraag, en kijkt meewarig neer op elkeen die naïef genoeg is om een poging te doen die vraag nog maar te articuleren. Deze mimetisch wedijver waarbij men, in kledij, fysionomie en (war)taal, tegen elkaar op zijn geheime verwantschap demonstreert met de sfinx-achtig zwijgende vraag die het kunstwerk is, is het wezen van het artistieke snobisme.
Ironie als schaamlap
De uitholling van het kritische bewustzijn, de reductie van de kritiek tot een pose waarmee men laat zien dat men zich wijselijk van elke articuleerbare visie onthoudt, gaat onvermijdelijk gepaard met een sacralisering van de kunst. Waar de confrontatie tussen de visies ophoudt, of niet méér is dan een vrijblijvende uitwisseling, is de knieval voor het zogenaamde ‘visionaire’ onvermijdelijk. Meer dan ooit hangt er rond kunst en kunstenaars een sacraal aura, dat door media, musea en ‘critici’ wordt opgeklopt. Nooit is er voor de meest nietszeggende drollen van kunstenaars zoveel geld neergeteld, nooit zijn er aan de grootste charlatanerie en mediocriteit zulke chicque en geleerde publicaties gewijd. Nooit heeft men zo flagrant gemakzuchtig effectbejag als ‘subversief’ of ‘controversieel’ onthaald. - Heel veel hedendaagse kunst lokt, vanwege haar retorisch karakter, die sacralisering uit. We beleven meer dan ooit de glorieuze verrijzenis van het Beeld. Deze verrijzenis is dubieus. De hedendaagse kunst is postconceptueel en blijft, of ze dat nu wil of niet, getekend door de conceptuele argwaan tegen het beeld en zijn al te schone of pakkende verschijning. De conceptuele kunst saboteerde de herkenbaarheid van het kunstwerk, de al te gemakkelijke identificatie, de onmiddellijkheid van de emotie. Voor de postconceptuele kunst kan dit alles blijkbaar weer - zij het met ‘ironie’. Ironie is een term geworden waarmee men alles kan legitimeren: schaamteloze retoriek, lukraak geciteer, gekoketteer met het afstotelijke, het banale en met slechte smaak. In al deze gevallen functioneert ironie als een al te doorzichtig intellectueel alibi die een gebrek aan reflectie en een knieval voor de massacultuur moet rechtvaardigen. De ironische pose komt voort uit het slechte geweten van de kunstenaar die heimelijk zijn publiek wil overweldigen. Onder het mom de mythe van de kunst te ondergraven, onderhoudt de ironie juist die mythe. Met haar ironische beeldstrategieën kan veel hedendaagse kunst niet verbergen dat ze de geëxalteerd nostalgische cultus van de Kunst is geworden, van de Schoonheid en de Waarheid die ze ooit diende te belichamen.
Het heeft iets gênants de kunst zo naar zichzelf te zien verlangen. Desnoods verlangt ze terug naar haar Eenzaamheid, haar grote Onbegrepenheid, desnoods verlangt ze nostalgisch naar haar sublieme Nostalgie. Het modelvoorbeeld is hier uiteraard Thierry De Cordier, door de media onvermoeibaar opgevoerd als de kluizenaar zonder God, die zich moederziel alleen onttrekt aan de blind voorwaarts strevende Tijdsgeest. Met elke beweging waarmee de kunstenaar zelf zijn mythe ‘relativeert’, versterkt hij hem. Telkens weer die perfect geacteerde naïviteit en onwennigheid, die gestileerde wereldvreemdheid. Het is allemaal zo opvallend stijlvol en gemaniëreerd dat velen deze hele romantiek verkiezen te zien als een ironische schijnbeweging, liever dan dat ze durven toegeven dat het wel degelijk gaat om een nogal groteske reanimatie van de romantiek.
Of neem Jan Fabre: Wagneriaanse nostalgie van de kunst naar haar vroegere grootsheid, naar haar verrukkelijk onschuldige verleidingskracht. De ‘visionaire duivelskunstenaar’, het ‘polyvalente genie’ voor wie het om niets minder gaat dan om de Schoonheid. Fabre krabbelt niet zo schone allegorieën van de Schoonheid en haar unheimliche oorsprong in de wreedheid. Maar in het grote werk wordt alles al heel gauw erg retorisch. Met het plafond dat hij concipieerde voor de spiegelzaal van het Koninklijk Paleis loopt hij vol overgave in de val. Dit werk draait niet meer rond Schoonheid, het grijpt gewoonweg naar de Schoonheid, naar eeuwige, luisterrijke Schoonheid; het reflecteert niet meer over zijn nostalgie, het is gewoon nostalgisch. Het moest een keer gebeuren dat het postmoderne geflirt met de mythe dodelijke ernst zou worden. Deze ernst is getekend door een vreemd soort reflexiviteit. ‘Heaven of Delight’: de titel zegt zelf hoe hemels het werk is en hoezeer het ons in verrukking brengt. Zoals men in Amerikaanse komedies in onze plaats lacht, is de titel verrukt in onze plaats, hij fluistert ons toe dat alleen verrukking hier passend is. Fabre heeft het gewaagd de grens over te steken van postmodern naar premodern. Hij assumeert zonder terughoudendheid de zware retoriek die altijd al in de postmoderne ‘ironie’ schuilging. Schaamteloze pracht en praal, ons geschonken door duizenden rondmarcherende kevers: eindelijk, het mag! Maar ook dit keer zullen er nog zijn die zeggen: ‘Maar neen toch, hij meent het niet, het is beslist ironisch!’ Maar is het dan voor deze ironie dat zij verrukt applaudiseren? En dus voor zichzelf, zij die het knipoogje van de kunstenaar zo goed hebben begrepen?
En dan is er het geval Wim Delvoye, de ongrijpbare hansworst. Hij leeft van de nostalgie naar het subversieve verleden van de kunst. Cloaca: geglobaliseerde, ‘super-kosmopolitische’, telegeleide analiteit,- narcistische, door wereldvermaarde filosofen onderstutte koketterie met het abjecte voor snobs die nog net puriteins en kwezelachtig genoeg zijn om zoiets subversief te vinden. - Maar ook hier wijst men ons fijntjes op de ironie. ‘Is Delvoye niet onze Westvlaamse Warhol? Zijn werk ziet er alleen maar zo immens oppervlakkig uit omdat het een hekel heeft aan diepzinnigheid en deze hekel kenmerkt toch alle waarachtige diepzinnigheid?’ - Neen, deze kunstenaar is gewoon zo schaamteloos oppervlakkig dat niemand merkt dat hij gewoon oppervlakkig is. Het gaat inderdaad, zoals in veel hedendaagse kunst, om bluf: de kunst bestaat erin iets dermate opzichtig te doen dat mensen niet merken dat je het wel degelijk doet, zodat ze bij zichzelf denken: ‘het kan toch niet dat het zo plat is! Hier zit een strategie achter. Het is maar om ons op het verkeerde been te zetten!’ Maar wie de kunstenaar zo nog alle krediet geeft, bedriegt zichzelf. Ook voor de toeschouwer functioneert ironie als een dekmantel, namelijk één waarmee hij zijn regressie toestaat naar de smakeloosheid waartegenover hij zogezegd een ironische afstand bewaart. Ironie als schaamlap. Kan het allemaal nog kleinburgerlijker?
De ‘ironie’ is in de hedendaagse kunst steriel en ongeloofwaardig. Ze verraadt dat de kunst lijdt aan een geëxalteerd heimwee naar zichzelf... Als dit de conditie van de kunst in onze tijd is, dan kan men wel zeggen dat een figuur als Jan Hoet perfect op de maat van onze tijd is gesneden. Een wereld waarin ironie, snobistische afstandelijkheid, strategische terughoudendheid en uiteindelijk cynisme de regel zijn, heeft blijkbaar een soort laatste der Mohikanen. Jan Hoet is de nar van de Authenticiteit. Hij belichaamt een authenticiteit waar niemand, het laatst nog de kunstenaars, aanspraak durven op maken. Hij staat er in zijn heroïsche eentje garant staat dat de Ware Passie voor de kunst, ondanks alles, ongeschonden is gebleven.
Zoals men weet heeft Jan Hoet geen behoefte aan een theorie, een esthetica of een programma, hij draagt gewoon de stigmata van de kunst, hij incarneert de pure getroffenheid door het ondoorgrondelijke Mysterie van de Kunst. Het woord ‘incarnatie’ is hier niet lukraak gekozen. Jan Hoet verschijnt in de media telkens weer als het fysieke bewijs dat kunst kan raken, dat kunst iemands leven kan overhoop gooien, dat iemand zijn leven aan de kunst kan offeren. ‘Anarchist’, ‘rusteloze rebel’: van geen enkele kunstenaar wordt het nog gezegd, geen kunstenaar geeft ons nog zo het gevoel dat hij met de kunst worstelt als Jacob met zijn nachtelijke engel. Geen kunstenaar is zo radicaal, zo gekweld en verrukt tegelijk, zo ondiplomatisch, zo weinig neutraal, zo geëngageerd in de kunst als Jan Hoet. Het is tekenend voor onze tijd dat het een curator is die de mythe van de Kunst belichaamt, niet een kunstenaar, niet een literator, niet een criticus, niet één of andere André Breton.
Jan Hoet kan het zelf niet helpen. De kunst smeekt blijkbaar naar iemand als hij, naar iemand die de kunst haar twijfel, haar verlegenheid, haar onbehagen omtrent zichzelf met bezwerende taal uit het hoofd praat. Hij is het symptoom dat de kunstwereld verdient. De kunst moet zich wel doodziek voelen, wil het mogelijk zijn dat iemand van de kunst met zo’n succes een zaak van geloof maakt.
Dat het publiek, ook al komt het massaal opdagen, een nogal matte verhouding heeft met hedendaagse kunst, is hier geen punt. Het gelooft en is verrukt via Jan Hoet, alsof het prevelt: ‘ons ontbreekt het - vergeef ons heer! - aan geestdrift voor de kunst, maar kijk: er is er minstens één die absoluut en zonder terughoudendheid vervuld is van geestdrift, het is onmogelijk dat zijn geestdrift nergens over gaat, wij geloven in deze geestdrift en door dit geloof delen wij erin; één iemand heeft het licht gezien en dus bestaat het: leve de kunst!’.
Dat een figuur als Jan Hoet de geesten zo in zijn ban kan houden, kan niet enkel verklaard worden door het persoonlijk charisma en de geldingsdrang van de persoon in kwestie, ook niet door de voortdurende chantage die uitgaat van een instituut dat kunstenaars naar goeddunken kan maken en kraken, en evenmin door de intellectuele luiheid en lafheid van de critici. Zoiets is slechts mogelijk door het massale en massieve zwijgen van de kunstenaars. Zij zijn onhoorbaar. Tegen zoveel liefdesverklaringen aan de kunst, tegenover zoveel ‘positieve energie’ zijn ze weerloos. De kunstenaars laten zich het heilig geloof in de kunst welgevallen. Ze zijn de priesters in een Kerk waarin ze niets te zeggen hebben.
De rollen zijn verdeeld
Wat verbergt men ons eigenlijk met dit grootscheeps georkestreerd enthousiasme over de kunst? Wat kan het anders zijn dan de gebrekkigheid van de kunst, haar onenigheid met zichzelf? Zowel critici als curatoren doen angstvallig mee aan deze verberging, alsof ze zich gêneren voor de kunst. Maar waarom toch verbergen wat toch het meest uitmuntende, beloftevolle aspect van de kunst is? Er zijn blijkbaar teveel belangen mee gemoeid, niet alleen financieel, maar ook libidinaal: er is teveel narcisme in geïnvesteerd, teveel geloof in de kunst, in een geheime kennis, een hoger weten dat zij in pacht zou hebben, ook en vooral indien het hier gaat om een soort subliem niet-weten.
Verborgen wordt dat de kunst ons niet langer aanspreekt. Verborgen wordt daarmee dat dit niet erg is. Alle kunst die zichzelf serieus neemt, weet dat dit haar lot is, een lot waaraan zij trouw moet blijven, ook al zit zij daarmee verveeld,- en opgelet: zij moet hiermee verveeld zitten, want indien zij zich zelfgenoegzaam zou schikken in haar lot zou dit haar pas echt een slecht geweten bezorgen.
Men gunt de kunst geen rouwproces om zichzelf. Men gunt haar haar dood niet, men gunt haar niet dat ze omgaat met haar dood. Men geneert zich, net zoals vreesachtige familieleden die de stervende tot op het einde blijven bezweren dat hij er eigenlijk geweldig uitziet. En de kunst - dat is zo gênant - laat zich deze gêne welgevallen.
Vooral de kunstkritiek lijdt aan deze gêne die voor zichzelf vlucht. De gedachte waar de kritiek het meest bang van is, is dat kunst de kritiek nodig heeft, want dat zou betekenen dat de kunst niet soeverein is, dan is zij afhankelijk van de kritiek zoals de meester van zijn slaaf. Om die gedachte te onderdrukken blijft de kritiek dwangmatig de schijn wekken alsof zij door een bescheiden (kunsthistorische, maatschappelijke, filosofische...) contextualisering van het werk voor het publiek de weg vergemakkelijkt naar de volle ervaring van het werk, alsof het publiek, dat wezenloos tegen het kunstding aan kijkt, door het commentaar plots wèl door het kunstwerk zou worden geraakt of door één of andere waarheid daarachter. De kunstkritiek blijft de illusie wekken dat het niet aan het kunstwerk ligt dat het niet onmiddellijk aanspreekt, maar aan het publiek dat behoefte heeft aan initiatie. Alsof alleen al de gigantische aanwas van commentaar voor de mensen niet bewijst dat de kunst behoeftig is. De kritiek dient dit als eerste te weten, en ze weet het ook, maar ze heeft de moed niet tot wat ze zelf weet, omdat ze koste wat kost aan haar idool, de Kunst, wil vasthouden, ook al vervult dit idool haar heimelijk van plaatsvervangende schaamte.
Ook na decennia van conceptuele en postconceptuele kunst klinkt het blijkbaar nog steeds als een vloek als men zegt dat het loutere verschijnen van het kunstwerk ons geen bevrediging meer schenkt en ook niet hoeft te schenken. Is het niet wezenlijk voor de moderne kunst dat zij het beeld niet zomaar aan zichzelf, en dus niet bij het publiek, laat toekomen omdat alle beeldprocedees en -retorica’s voor haar hun vanzelfsprekendheid hebben verloren? Is een kunstwerk niet modern omdat het openlijk als beeld tekortkomt, dat wil zeggen niet zomaar mislukt, maar zich actief verzet tegen de evidentie van zijn esthetisch appeal? Maar juist dit tekort van de kunst, waarmee ze in zichzelf de ruimte voor het commentaar opent, blijft binnen de kunstwereld taboe. Dit taboe wordt op een manische manier bekrachtigd telkens wanneer men van de kunst een zaak van emotie, van de ultieme Beleving maakt. Meer dan ooit is de kunstwereld een wereld van religieuze fetisjisten voor wie kunstwerken absolute, zelfgenoegzame entiteiten zijn met een onaantastbare esthetische en bijgevolg financiële waarde.
De kunstkritiek blijft zich gedwee onderwerpen aan deze fetisjistische cultus. Omdat ze haar verhouding met het kunstwerk niet durft te denken laat ze zich gemakkelijkshalve instrumentaliseren: alsof niet kunst en kunstenaar zelf om kunstkritiek vragen, maar enkel het ‘publiek’ dat ingelicht wil worden. De critici beperken zich zogezegd tot professionele analyses waarbij ze het model van het academische discours nabootsen. Academisch hieraan is dat de criticus zich niet engageert in de vraag naar de noodzaak van het soort kunst dat hij bespreekt en van kunst in het algemeen. Maar zijn zogezegd neutraal vertoog kan niet verhelen dat de beslissing daarover reeds op een ander niveau is genomen, namelijk door curatoren of door een kranten- of tijdschriftredactie, en dat de kunstcriticus de bescheiden opdracht heeft deze beslissing intellectueel te legitimeren. Altijd weer resulteert dit in een onfris mengsel van kunsthistorische analyse en apologie.
Terwijl de kunstcriticus een onderdanig, pseudo-academisch discours hanteert, schrikt de curator niet terug voor het meesterdiscours. Hij stuurt motto’s de wereld in die autoritair samenvatten waar kunst tegenwoordig over gaat en waarom ze noodzakelijk is. Hij koppelt de uiteenlopende kunstvormen, de individuele obsessies van de kunstenaar aan de algemeenheid van de ‘Zeitgeist’. Hij doet de sprakeloze kunst spreken, zet haar in als een antidotum voor de vicieuze aspecten van de tijdgeest en als het geprivilegieerde voorbeeld van meer hoopgevende tendenzen. De curator is geëngageerd, voor hem dwingt de kunst tot een ‘debat’ waarin alle grote existentiële en maatschappelijke thema’s op een andere manier benaderd moeten worden. Daarom klinkt in zijn vertoog onvermijdelijk altijd iets van het jargon van de historische avant-garde door. De curatoren zijn de enige avantgardisten in een tijd waarin de avant-garde niet meer bestaat. Alleen zij schijnen nog te geloven dat er met kunst werkelijk iets op het spel staat, terwijl kunstenaars zich, toch zeker in het openbaar, onthouden van uitspraken over hoe het met de kunst staat en hoe het verder moet. Hún vertoog neigt naar het hysterische. Dit betekent: de kunstenaars merken telkens weer fijntjes en stilletjes op dat de curator er met al zijn goede bedoelingen eigenlijk naast zit, dat zijn vertoog te simplistisch, te naïef, te reductionistisch is, dat het geen recht doet aan wat in de kunst werkelijk gebeurt; maar het blijft bij een stil gemok over een instituut waarvan ze ondertussen totaal afhankelijk zijn.
Men ergert zich terecht over de manier waarop vele curatoren het werk van kunstenaars telkens weer onder de koepel van één of ander hoogst origineel thema presenteren of aan een nieuw soort presentatiemodel onderwerpen. Maar de kunstenaar verschijnt hier al te zeer als een onschuldig slachtoffer. Eigenlijk verbergt onze ergernis iets wat veel ergerniswekkender is: de verregaande politieke laksheid en onmondigheid van het kunstenaarsvolk. Het is verbijsterend hoe kunstenaars zich sinds jaar en dag het vertoog van de curatoren, en overigens ook van de critici, laten welgevallen. De kunstenaars hebben zich blijkbaar neergelegd bij de institutionalisering en professionalisering van het engagement in de kunst, van het openbaar debat over haar betekenis en bestemming. En ze hebben er zich bij neergelegd hoe dit debat telkens weer door curatoren beslecht wordt.
Het zielige zwijgen der kunstenaars
Het is iets dat Ilya Kabakov zo versteld deed staan: in de westerse wereld wordt alleen nog binnen de instituten gepassioneerd over kunst gesproken, niet door de kunstenaars onderling. De kunstenaars onderscheiden zich door een hoffelijke onverschilligheid, een voorzichtige, sceptische terughoudendheid. Zijn ze zo geïntimideerd door de brede ‘cultuurfilosofische’ visies van de curatoren? Ze hebben er in elk geval niets tegenin te brengen: geen vertoog, geen politiek, geen programma, geen poëtica, zelfs niet in negatieve zin. Men kan opwerpen dat het niet de taak is van de kunstenaars om de curatoren in het fabriceren van ‘concepten’ en het doen van boude uitspraken naar de kroon te steken. Maar dat ze nooit van zich laten horen is verdacht. Schuilt er achter dit zwijgen één of ander hoger principe? Moeten we hun onmondigheid beschouwen als een ultieme, mystieke soort van mondigheid waar we niet bij kunnen? - Laat ons serieus blijven: hun zwijgen klinkt, en het klinkt niet goed, het klinkt al te berekend, ontwijkend, diplomatisch, vreesachtig. Openlijke kritiek op het kunstestablishment is fnuikend voor hun carrière. Ook kritiek op andere kunstenaars is uit den boze, het lijkt al gauw op broodroof, op een smerige vorm van concurrentie; de kruidenier zegt toch ook niets kwaads over zijn concurrent van een straat verderop?
Men heeft sinds lang de mond vol over de toenadering tussen kunst en leven, kunst en maatschappij, kunst en publieke ruimte, kunst en filosofie, kunst en wetenschap, enzovoort. Altijd weer gaat het over de ‘(her)contextualisering’ van de kunst, over dat kunst niet zomaar een beeld of object is maar een interventie in de publieke ruimte of in het maatschappelijke veld. Nooit heeft men de ‘ware’ kunstenaar zo goed kunnen herkennen aan zijn weigering om ‘kunstenaar’ te worden genoemd. Maar anderzijds was valse bescheidenheid nooit zo doorzichtiger. De kunstenaar die zogezegd geen kunstenaar wil zijn, blijft uiteraard op het doorwinterde kunstpubliek mikken. Alleen wil hij zijn mythe verdiept zien door een gespeelde anonimiteit waaruit hij telkens weer ondanks zichzelf als kunstenaar verschijnt. Heroïsch!
Hoe meer de hedendaagse kunstenaar dit ontkent, hoe meer hij verraadt dat hij opgesloten zit in zijn kunstenaarsrol. Het ‘schoenmaker, blijf bij uw leest’ is nooit zo sterk geweest. De kunstenaar is meer dan ooit een paradepaardje dat af ten toe zijn kunstjes mag tonen op de plekken en volgens de modellen die het establishement hem offreert. En verzwijgt men niet iets fundamenteels als men het altijd heeft over ‘interdisciplinariteit’? De kunstenaar kan in principe met elke medium overweg, maar blijkbaar niet met het woord. Is het woord een te onhandig medium, of is het te gewichtig? Alsof de kunstenaar ervoor terugschrikt te interfereren in een domein dat ‘eigenlijk’ toebehoort aan kunstcritici en curatoren. Vreemd, is er voor de kunstenaar plots een verboden domein? Vanwaar deze plotse bescheidenheid? Kunstenaars hebben graag dat - liefst befaamde - kunstcritici over hun werk schrijven. Anderzijds blijven ze doen alsof het woord niets is. Hoe kan men anders het pijnlijke contrast verklaren tussen de extreme eisen die hedendaagse kunstenaars stellen met betrekking tot de presentatie van hun werk en hun onverschilligheid voor het obscurantistische en ideologisch bedenkelijke commentaar dat critici en curatoren zo vaak rond hun werk breien? Wat is hun bekommernis om de ‘context’, wat is al die ‘institutionele kritiek’ waard zolang ze zich braafjes de discursieve retoriek waarin hun werk wordt ingebed laten welgevallen? Is het obsceen het woord te nemen? Is men bang dat het beeld hierdoor zijn onschuld, zijn maagdelijkheid gaat verliezen? Is het beeld dan onschuldig? Of is juist niet de wens de onschuld van het beeld te bewaren schuldig? Is juist niet de onvermoeibaar geprezen ‘ambiguïteit’, ‘poliïnterpretabiliteit’, ‘ongrijpbaarheid’, de ‘eeuwige ironie’ van het beeld een alibi geworden voor een onverantwoordelijke vrijblijvendheid waarbij men altijd buiten schot blijft? Zwijgt de kunstenaar zo halstarrig omdat hij zelf de heilige stilte, de fetisjistische cultus die zich rond zijn werk vormt, niet wil verstoren? Is hij bang dat hij met zijn woorden het mysterie zou bedreigen dat het instituut rond zijn werk weeft? Als dat zo is, dan zijn decennia van avant-gardistische en conceptuele kritiek helemaal voor niets geweest.
Monddood zwart
Sinds de jaren tachtig gaan duizenden kunstenaars gehuld in het zwart. Ze lijken de verre erfgenamen van een dandyesk cultuurpessimisme. Zoals hun historische voorgangers geven ze blijk van hun trotse weerzin tegen de kleurrijke banaliteit, de bedrieglijke uitgelatenheid van het moderne leven. Het gaat uiteraard om theater. In hun zwarte uniform voeren ze gezamenlijk de scène op van een door Weltschmerz veroorzaakte wereldvreemdheid waaraan zij uiteraard niet werkelijk lijden. Bewust van de sociale erkenning die ze genieten, nestelen ze zich behaaglijk in een cultus van het onbehagen, in een nihilistische pose. Gehuld in priesterlijk zwart kan nog de meest middelmatige kunstenaar zich met Nietzsches ‘Pathos der Distanz’ verwant voelen. In een tijd waarin de autonomie van de kunst als een achterhaald idee wordt afgedaan en de media de kunsttempels binnenstebuiten keren, weet de kunstenaar blijkbaar enkel nog zijn aparte status veilig te stellen door de geüniformeerde pose aan te nemen van een melancholisch ascetisme. In die pose waant hij zich verheven boven de naïeve passies en de strijd tussen meningen die de wereld beheersen. Maar wat is het effect? Dat de kunstenaar verschijnt als een groteske contradictie, namelijk als publicitair sjabloon van de onaantastbare soevereiniteit van kunst, als stijlvolle, perfect geïnteegreerde outsider.
Maar kunnen we niet beter ietwat milder zijn? ‘Men kan er zich niet genoeg voor hoeden’, zegt Nietzsche, ‘een kunstenaar een toevallige, misschien zeer ongelukkige en aanmatigende maskerade kwalijk te nemen; laat ons toch nooit vergeten dat die brave kunstenaars zonder uitzondering ook een beetje toneelspeler zijn en moeten zijn en het op den duur zonder toneelspelerij bezwaarlijk lang zouden uithouden.’ (Vrolijke wetenschap, nr. 99) Misschien heeft de kunstenaar wel een uniform nodig, moet hij wel van zichzelf een fantoomachtig personage maken wil hij zich beschermen tegen de babbelzieke tijdsgeest die hem altijd weer uitdaagt tot overhaaste meningen en discussies. Is de kunstenaar nu eenmaal geen kunstenaar omdat hij sprakeloos is en omdat hij deze sprakeloosheid niet zozeer wil overwinnen als wel uitdiepen? Waarom hem niet zijn ijdele zwart laten? Misschien speelt hij slechts zo ongeloofwaardig, zo koket dat hij sprakeloos is om te verbergen dat iets in hem werkelijk, hulpeloos verbijsterd, sprakeloos is?
- Goed, ja, maar de kunstenaar hoort ook te weten in welke poppenkast hij speelt. Zijn melancholie is al te stijlvol en al klassebewust, ze is ingebed in het al te gewichtige vertoog en de professioneel opgezette cultus die door anderen worden opgezet. Het kan zijn dat de kunstenaar het op een bepaald moment noodzakelijk vindt zich een soort koele onbewogenheid aan te meten die zijn geheime verwantschap suggereert met de dood,- maar wat als zijn melancholische outfit volkomen potsierlijk wordt, wat als hij daarmee enkel verraadt dat hij een monddood schaakstuk is die naar believen kan worden ingezet door galeriehouders, curatoren en verzamelaars? Zijn hiëratisch zwart verhult dan slechts zijn zieligheid, zijn hooghartige afstandelijkheid het feit dat hij er verschrikkelijk graag bijhoort, dat hij een muurbloempje is, zwart van schaamte om het verlangen geplukt te willen worden. Uit de postmoderne uniformering van de dandyeske gedistantieerdheid blijkt dat de ‘kritische’ of ‘ironische’ distantie tegenover het kunstcircus perfect binnen het circus geïntegreerd is, ja zelfs door het circus wordt vereist.
waarom in godsnaam kunnen jullie niet gewoon een tekts op het web zetten die "gewoon" afprintbaar is !! De laatste woorden van de tekst vallen gewoon wèg met uw formaat, op een "gewone" A4. Waarom nodeloos ingewikkeld doen en het de consument zo gebruiksonvriendelijk maken ?ls maar kan
Het is een kleine moeite om de tekts (sic) met uw muis te selecteren (Ctrl+a), dan te copiëren (Ctrl+c) en vervolgens in de tekstverwerker van uw keuze (bv. MS Word) te plakken (Ctrl-v), van waaruit u probleemloos kan afdrukken op
Voorts denk ik dat het begrip "consument" hier niet van toepassing is, omdat het een gratis dienst betreft. "Gebruiksonvriendelijk" is het evenmin, want deze pagina is in de eerste plaats bedoeld om via een browser te bekijken, niet om af te drukken.
Schitterend is de manier waarop je beschrijft hoe de wakkere vrienden van de kunst zich vergenoegen in de voorstelling van allen die door de kunst moeten wakker geschreeuwd. Meesterlijk is de manier waarop je het ‘artistieke snobisme’ omschrijft als’ de mimetisch wedijver waarbij men, in kledij, fysionomie en (war)taal, tegen elkaar op zijn geheime verwantschap demonstreert met de sfinx-achtig zwijgende vraag die het kunstwerk is’.
Onovertroffen de manier waarop je vooral figuren Wim Delvoye karakteriseert: ‘Deze kunstenaar is gewoon zo schaamteloos oppervlakkig dat niemand merkt dat hij gewoon oppervlakkig is’. Grandioos de manier waarop je het fenomeen Hoet analyseert als ‘het symptoom dat de kunstwereld verdient’ vooral tegen de achtergrond van het ‘zielige zwijgen van de kunstenaars’. Het doet deugd om zoiets te lezen, uitgerekend in de Morgen, die een belangrijk forum is voor dit hele gebeuren.
Maar ik heb problemen met de achtergrond van waaruit deze treffende analyse is gemaakt. Je hanteert de voorstelling dat de kunst vroeger geacht werd schoon te zijn, en sedert de ‘avant-garde’ kritisch. Daarom ga je te keer tegen het huidige gebeuren dat getuigt van een taboe op ‘juist datgene aan de moderne kunst dat het verdient om bewaard te blijven: de argwaan tegenover de voorstelling…’. Als zou kunst alleen kunnen overleven als ze ‘omgaat met haar dood’. In heel deze voorstelling ben je schatplichtig precies aan de hele schare van ‘denkers’ die mede verantwoordelijk zijn voor de huidige gang van zaken. Daarom is ook van toepassing op jezelf wat je de huidige kritiek verwijt: dat je niet langer ‘kritisch onderzoekt en analyseert’ en zo gevangen blijft binnen het perspectief dat je aan de kaak stelt.
Vriendelijke groet van Stefan Beyst.
Mijn benadering van Fabre en andere hedendaagse kunstenaars staat te lezen op http://d-sites.net
Er kleven twee grote fouten aan den tekst van Frank Vande Veire. De eerste is dat hij enkel over "kunst" en de "kunstwereld" gaat. Vandaar het verwijt van oppervlakkigheid dat in sommige van de meer serieuze reacties terugkomt; ten onrechte trouwens. Het punt is dat het achter critische ironie gemaskeerde onvermogen om '(aan)geraakt' te worden (en om aan te raken), helemaal niet eigen is aan de kunstwereld, maar zo ongeveer de basis van de onmenselijke conditie van onzen tijd uitmaakt. De kunstenaars en hun entourage moeten wel de schijn ophouden, omdat hun bezigheid uit een periode stamt waarin communicatie (mededeelzaamheid) nog echt mogelijk was, ook al dikwijls ingebed in vormen van conventioneel geweld. Als er geen maatschappij is, is er ook geen kunst. En er is (nageboeg) geen maatschappij meer, ergo... (degenen die dit gezwans vinden, moeten maar eens een blik in Agambens 'Homo Sacer' werpen, over den uitzonderingstoestand die de regel wordt in de laatmoderniteit (wie zei daar "post"?), waardoor het ideaaltype van onze locus politicus het concentratiekamp is... Of, zou ik eraan toevoegen, het "humanitaire" bombardement.).
In de de 'communauté catastrophale' (Tiqqun 2) waar nabijheid enkel surveillance betekent, is de kunst inderdaad op sterven na dood, indien al niet schielijk overleden. Dit geldt echter voor eender welke vorm van menselijke activiteit in eender welken serieuzen zin van dat woord. Dit (niet eens nieuwe, ook daar legt Vande Veire de juiste verbanden) verschijnsel is recentelijk nog eens briljant gediagnosticeerd in de "Théorie du Bloom" en de "Premiers Matériaux pour une Théorie de la Jeune-Fille" in Tiqqun 1, Parijs, 1999. Het Jong-Meiske waarvan sprake - dat helemaal geen vrouw hoeft te zijn - "est optimiste, ravie, positieve, contente, enthousiaste, heureuse; en d'autres termes, *elle souffre*". En wat het ergste is, er valt daar verder niks over mede te delen.
De tweede fout van Vande Veire is dat de huidige kunst niet aan een te weinig, maar een teveel aan reflexiviteit lijdt, zij het - daar heeft hij wel gelijk - dat ze dat nooit zal toegeven. Dat is juist het punt van al die ironie: ironie is altijd een zelfbewuste en reflexieve vorm van zelfverdediging geweest, dien van het verstand naar het hart gaat, niet omgekeerd. (Bij humor is dat omgekeerd. Wie was toch weer dien Amerikaanse cultuurphilosooph dien over de hedendaagse erosie van het gevoel voor humor geschreven heeft? De reden voor die erosie is alleszins dezelfde als die voor het afsterven van de kunst.) De bijna absolute gespletenheid tussen lichaam en geest die in deze virtuele tijden heerst maakt dat de zinnelijkheid die zo levensnoodzakelijk is voor de kunst (ook voor conceptuele kunst. Anders zoudt ge evengoed enkel de teksten van de catalogi kunnen publiceren) bijna onfatsoenlijk wordt gevonden: "La Jeune-Fille parle de la santé comme s'il s'agissait du salut". Het zal duidelijk zijn dat "santé" hier hygiene betekent, om niet te zeggen: quarantaine. Enkel de belijfde ziel is een beleefde ziel, en enkel daarin kan een redelijkheid geboren worden die niet louter een mensenversnipperaarster is.
Er kleven twee grote fouten aan den tekst van Frank Vande Veire. De eerste is dat hij enkel over "kunst" en de "kunstwereld" gaat. Vandaar het verwijt van oppervlakkigheid dat in sommige van de meer serieuze reacties terugkomt; ten onrechte trouwens. Het punt is dat het achter critische ironie gemaskeerde onvermogen om '(aan)geraakt' te worden (en om aan te raken), helemaal niet eigen is aan de kunstwereld, maar zo ongeveer de basis van de onmenselijke conditie van onzen tijd uitmaakt. De kunstenaars en hun entourage moeten wel de schijn ophouden, omdat hun bezigheid uit een periode stamt waarin communicatie (mededeelzaamheid) nog echt mogelijk was, ook al dikwijls ingebed in vormen van conventioneel geweld. Als er geen maatschappij is, is er ook geen kunst. En er is (nageboeg) geen maatschappij meer, ergo... (degenen die dit gezwans vinden, moeten maar eens een blik in Agambens 'Homo Sacer' werpen, over den uitzonderingstoestand die de regel wordt in de laatmoderniteit (wie zei daar "post"?), waardoor het ideaaltype van onze locus politicus het concentratiekamp is... Of, zou ik eraan toevoegen, het "humanitaire" bombardement.).
In de de 'communauté catastrophale' (Tiqqun 2) waar nabijheid enkel surveillance betekent, is de kunst inderdaad op sterven na dood, indien al niet schielijk overleden. Dit geldt echter voor eender welke vorm van menselijke activiteit in eender welken serieuzen zin van dat woord. Dit (niet eens nieuwe, ook daar legt Vande Veire de juiste verbanden) verschijnsel is recentelijk nog eens briljant gediagnosticeerd in de "Théorie du Bloom" en de "Premiers Matériaux pour une Théorie de la Jeune-Fille" in Tiqqun 1, Parijs, 1999. Het Jong-Meiske waarvan sprake - dat helemaal geen vrouw hoeft te zijn - "est optimiste, ravie, positieve, contente, enthousiaste, heureuse; en d'autres termes, *elle souffre*". En wat het ergste is, er valt daar verder niks over mede te delen.
De tweede fout van Vande Veire is dat de huidige kunst niet aan een te weinig, maar een teveel aan reflexiviteit lijdt, zij het - daar heeft hij wel gelijk - dat ze dat nooit zal toegeven. Dat is juist het punt van al die ironie: ironie is altijd een zelfbewuste en reflexieve vorm van zelfverdediging geweest, dien van het verstand naar het hart gaat, niet omgekeerd. (Bij humor is dat omgekeerd. Wie was toch weer dien Amerikaanse cultuurphilosooph dien over de hedendaagse erosie van het gevoel voor humor geschreven heeft? De reden voor die erosie is alleszins dezelfde als die voor het afsterven van de kunst.) De bijna absolute gespletenheid tussen lichaam en geest die in deze virtuele tijden heerst maakt dat de zinnelijkheid die zo levensnoodzakelijk is voor de kunst (ook voor conceptuele kunst. Anders zoudt ge evengoed enkel de teksten van de catalogi kunnen publiceren) bijna onfatsoenlijk wordt gevonden: "La Jeune-Fille parle de la santé comme s'il s'agissait du salut". Het zal duidelijk zijn dat "santé" hier hygiene betekent, om niet te zeggen: quarantaine. Enkel de belijfde ziel is een beleefde ziel, en enkel daarin kan een redelijkheid geboren worden die niet louter een mensenversnipperaarster is.
Afgelopen maandag las ik in De Morgen uw reacties op het vorige week gepubliceerde schotschrift van cultuurfilosoof Frank Vande Veire, een schotschrift dat sommigen onder u persoonlijk viseerde. U, meneer Delvoye, werd zelfs een "ongrijpbare hansworst" genoemd. Sterkte.
O, wat waren uw reacties heerlijk! U siste en insinueerde, u vloekte en schold. Geen half werk. Zo mag ik het graag zien. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. En dat die Vande Veire een wonde is, dat staat vast. Eén in het gelaat der kunst nog wel, een gelaat u de afgelopen jaren, ja zelfs decennia, zélf geboetseerd hebt. Eigenhandig, zonder enige hulp van Vande Veire, of andere zeikstralen zoals hij.
Daarom deed het mij pijn dat u au fond met de bek vol tanden stond. Uw opmerkingen over Vande Veires kledingdracht waren snedig en terecht ("beige short"!, "paterssandalen"!), maar ze konden niet doorgaan voor een gefundeerd antwoord op Vande Veires paskwil. Hetzelfde geldt voor uw -terechte!- sneren aangaande Vande Veires ijdelheid.
Kortom, u mepte gaten in de lucht. De choreografie volgens dewelke u dat deed, was voortreffelijk, maar toch. Daarom besloot ik zèlf enkele argumenten contra Vande Veire op een rijtje te zetten en u in één moeite door wat strijdtips te geven. Samplet en decontextualiseert u mijn raad naar hartelust. Want, door mij bewonderde kunstenaars en denkers die argumentloos het strijdperk betreden? Dàt nooit!
Gentlemen, synchronize your watches!
1) "Meer dan ooit hangt er rond kunst en kunstenaars een sacraal aura, dat door media, musea en 'critici' wordt opgeklopt."
Hier poogt Vande Veire -op abjecte wijze!- de lezer wijs te maken dat u tot diegenen behoort, die verlangen dat kunst gezien wordt als iets heiligs en, dientengevolge, het bezoeken van een museum of een galerie voorbehouden blijft aan de waarachtig devoten. Wat een onzin! Wie deed ooit méér om ervoor te zorgen dat de kunst toegankelijk zou zijn, voor iedereen, voor de mensen, dan uitgerekend u? Meneer Hoet liet zich door de kunstenaar Bellone voor z'n kanis slaan -de mensen houden van actie-, meneer Delvoye bedrukte faiencetegels met een drollenpatroon -de mensen kénnen dat-, meneer De Cordier trok zich terug in het vlek Schorisse -bezoekt u een vernissage als u daarbij kans loopt plots de tronie van meneer De Cordier te zien?- en meneer De Baere, ten slotte, maakte in 1994 de tentoonstelling "This Is The Show And The Show Is Many Things", welke van voor tot achter volgestouwd zat met brol. Jazeker! Dat leest u goed: brol. Je kon het zo gek niet bedenken of het stond, hing of lag er: plastic pistooltjes, rollen tapis-plein, hangmatten, varens, bloempotten. De bezoekers waren verrukt. Ze wisten niet of ze in een museum waren, of bij Wibra, dermate toegankelijk en onheilig was "The Show".
2) "Ironie is een term geworden waarmee men alles kan legitimeren: schaamteloze retoriek, lukraak geciteer, gekoketteer met het afstotelijke, het banale en met slechte smaak.[...] De ironische pose komt voort uit het slechte geweten van de kunstenaar die heimelijk zijn publiek wil overweldigen."
Vande Veire, heren, beticht u van onoprechtheid. Alsof u niet te allen tijde rechtdoorzee zou zijn! Alsof u een pose nodig zou hebben! Alsof u niet écht banaal, schaamteloos retorisch en belust op het afstotelijke zou kunnen zijn!
U en ik weten wel beter. U hebt écht geen smaak, en banaal, dat bent u unverfrören en volop. Ik raad u aan deze u kenmerkende eigenschappen ten volle uit te spelen. Vooral uw slechte smaak. Kleed u in glanzende trainingspakken en schaf u een pitbull-terrriër aan, alsmede een koevoet. Benieuwd of wussies als Vande Veire u dan nog "ironie" durven aanwrijven.
En wat dat "lukraak geciteer" betreft, is dat geen frappant voorbeeld van wat meneer Delvoye aankaartte als Vande Veires "persoonlijke én demagogische gebruik van allerhande adjectieven". Of denkt Vande Veire écht dat, pakweg, Jan Fabre -ook een door hem gehekeld artiest- op goed geluk graaide toen hij, pakweg, Leonard Nolens rolde? Tss! Of dat meneer Hoet stoemelings al jaren Joseph Beuys' ideeën recycleert?
Overigens staan er nog meer allerhande adjectieven in Vande Veires stuk, een heleboel zelfs. Een greep: vrolijke, scherp, ruime, befaamde, saaie, aangenaam, softe, sociaal, linguïstische, gezamenlijke, nieuwe, mogelijke. De smiecht!
Schroomt u zich vooral niet om deze staaltjes van Vande Veires doortraptheid tegen hem te gebruiken. Je moet de vijand met zijn eigen wapens bestrijden. Vooral "linguïstische" kan in dit opzicht veel nut voor u hebben, aangezien het in velerlei contexten kan gebruikt worden én het niet minder dan 4 lettergrepen telt. Ook combineren kan. "Befaamde linguïstische", bijvoorbeeld, of zelfs "softe befaamde linguïstische". Verbale splinterbommen zijn dit.
3)"Wat verbergt men ons eigenlijk met dit grootscheeps georkestreerd enthousiasme over de kunst? Wat kan het anders zijn dan de gebrekkigheid van de kunst, haar onenigheid met zichzelf? Zowel critici als curatoren doen angstvallig mee aan deze verberging, alsof ze zich gêneren voor de kunst"
Dit, heren, is een vuige opmerking. En bovendien een leugen. Want doet u er niet alles aan, met zoveel energie als uw gestel u maar toestaat, opdat iederéén zou weten dat de kunst "gebrekkig" is? Meneer De Cordier doet het met zijn tekeningen en sculpturen, die hij er zo "gebrekkig" laat uitzien dat het lijkt alsof hij kan beeldhouwen noch tekenen -openlijk, van "verberging" is geen sprake. Meneer Hoet, van zijn kant, laat geen gelegenheid onbenut om de "gebrekkigheid" van de kunst in diverse media al dan niet live gestalte te geven: hij wringt zich in onmachtige bochten, haakt naar betekenis, zoekt naar woorden, raspt, grimast en grauwt. En alweer: openlijk. Meneer De Baere doet iets soortgelijks als meneer Hoet, alleen zoekt hij niet naar woorden: die komen hem zomaar aanwaaien, met honderden tegelijk. En hij laat ze ook weer met honderden tegelijk ontsnappen, pfwiet, als een gaswolk. Als één zo'n inflatoire gaswolk van meneer De Baere niet aantoont dat de kunst "gebrekkig" is, dan doet niets dat. Een poos geleden was meneer De Baere te gast in het Canvas-programma "Nachtwacht". Zijn performance daar -gaswolk na gaswolk ontsnapte- liet niets aan de verbeelding over: de kunst is niet zomaar "gebrekkig", zij heeft minstens 12 horrelvoeten en een stuk of wat open ruggetjes . Meneer De Baere maakte geenszins aanstalten tot "verberging" van dit feit. Noch, trouwens, gaf hij blijk van "enthousiasme". Al kan dit laatste ook aan het format van het programma gelegen hebben. En meneer Delvoye, maakt u er niet een punt van eer van de "gebrekkigheid" van de kunst én bij uitbreiding die van de kunstenaar uit de dragen door uw werken niet zelf te maken, maar ingenieurs en technici de klus te laten klaren? En houdt u hierover angstvallig uw snavel? Welnee, u vertelt het met trots. Quod erat demonstrandum.
Gêne, tot slot. Mij dunkt, mijne heren, dat u hieraan niet doet. Waarom ook? U bent goed bezig. Houden zo.
4) "Jan Hoet is de nar van de Authenticiteit. Hij staat er in zijn heroïsche eentje garant staat dat de Ware Passie voor de kunst, ondanks alles, ongeschonden is gebleven. [...] Het is tekenend voor onze tijd dat het een curator is die de mythe van de Kunst belichaamt, niet een kunstenaar, niet een literator, niet een criticus, niet één of andere André Breton."
Mais enfin! Wat is dit voor lulkoek? Laten we wel wezen, is er één man in dit land die meer gemeen heeft met André Breton dan meneer Hoet? Heeft meneer Hoet niet ook een pauselijk aura? Welzeker. En spreekt hij niet met enige regelmaat een banvloek uit? Jawel. Laatst nog over het Brusselse kindvrouwtje Valérie Mannaerts, dat ons land vertegenwoordigde op de Biënnale van Venetië. De toon waarop meneer Hoet dit meisje verketterde, was beslist bretonesk toornig. En excommuniceert meneer Hoet niet heel af en toe iemand, net zoals Breton deed? Tuurlijk wel. Vraag maar aan Dirk Pültau, hoofdredacteur van het kunstblad De Witte Raaf. "Diën Duits komt mijn museum niet meer binnen", zei meneer Hoet over Pültau, aldus fluks de cultuurkritische blitzkrieg van deze inktkoelie minstens tijdelijk stuitend. In zijn eentje, hè. Geen klein bier.
André Breton vocht onafgebroken voor de Zaak; meneer Hoet doet dat ook. Niet aflatend is hij in de weer, tot ver buiten de landsgrenzen. Waar cultuurfilosofische frustraten als Vande Veire (en voornoemde Duits) alleen maar zaniken en zitvlees kweken, staat meneer Hoet er dag na dag persoonlijk voor garant dat iedereen, overal, allengs dichter de artistieke heaven of delight benadert. Let op mijn woorden: in de échte hemel zullen zeven gewillige cultuurfilosofen meneer Hoet tot bitches dienen. Dat moet je verdiend hebben, hoor, zéker als zelfverklaarde tjeef.
En ach, dat Vande Veire meneer Hoet een "nar" noemt, het is een beproefde tactiek. Dwergen doen wel vaker kleinererend over giganten. Zo deed Gerrit Komrij -nog zo'n frustraat; zou hij paterssandalen dragen?- in de jaren '70 weleens lacherig over het Nederlands van Hugo Claus. Thans weten wij maar al te goed dat meneer Claus nimmer slecht Nederlands schrijft. Contrarie, gij!
Zo. Dit moet volstaan. Hoezeer ik u allen ook bewonder, heren, ik heb ook nog wat anders te doen dan u in bescherming nemen. Ik maak me sterk dat het bovenstaande u zal helpen eventuele nieuwe aanvallen van socioloten (bedankt, meneer De Cordier voor dit suggestieve neologisme; u bent een waarachtig artiest) a là Vande Veire afdoend te pareren, en vooral: snel. Per slot van rekening kunt u zich niet veroorloven veel tijd te verspillen aan het geteem van mislukte pastoors. De hedendaagse kunst kan niet lang zonder haar hogepriesters.
In de hoop u van dienst geweest te zijn, verblijf ik,
Ik heb de zogenaamde polemiek een beetje gevolg in de Morgen en op het net. Wat een zootje. We komen opnieuw niet verder dan een welles-nietes spelletje gekruid met de obligate scheldpartijen. Gelukkig zijn er ook nog die gewone intelligente kunstenaars die blijkbaar wel wat zinnigs te vertellen hebben. (zie www.ibknet.be op het forum aldaar)
Iedereen heeft natuurlijk gelijk. Maar dat is niet belangrijk. Er zullen altijd 'winners en losers' zijn.
Laten we veeleer eens iets concreet doen.
Een voorbeeld:
Onmiddellijk de subsidies afschaffen zou zo iets kunnen zijn als je het onderstaande leest.
In de Nieuwsbrief Beeldende Kunst van april 2003 nr 104 wordt voor het eerst publiek bekend gemaakt welke organisaties en welke beeldende kunstenaars konden genieten van subsidies voor hun activiteiten en projecten. Zo een openbaarheid van bestuur kan alleen maar aangemoedigd worden. De gepubliceerde gegevens doen echter ook een aantal vragen rijzen. In de Nieuwsbrief Beeldende Kunst van november-december 2002 nr 102 staat namelijk vermeld wie in de jury zit die de minister advies geeft in verband met de toekenning van de verschillende subsidies. Wanneer je de lijst met de namen van de juryleden legt naast de lijst van de organisaties en personen die een beurs hebben gekregen dan zijn er toch een aantal opvallende ‘winnaars’. Twee van de zes erkende beeldende kunstcentra, ‘Online’ in Gent en ‘Roomade’ in Brussel krijgen elk het bedrag van 170.000 euro. Lieve Foncke en Barbara Vanderlinden, de drijvende krachten van respectievelijk Online en Roomade zaten en zitten in de jury die moet bepalen welke organisaties voor een subsidie in aanmerking komen. Luc Tuymans, de bekende en ook financieel succesvolle kunstenaar, krijgt 10.410 euro maar zit eveneens in de jury die moet bepalen welke kunstenaars in aanmerking komen voor subsidies. Het is vreemd dat dit zonder schroom gepubliceerd wordt en dat niemand zich eraan stoort. Het lijkt op het eerste zicht op zijn minst een erge vorm van belangenvermenging. Deze drie juryleden zouden het fatsoen moeten hebben om ontslag te nemen als jurylid. Er zijn genoeg mensen die met evenveel inzicht kunnen oordelen over subsidiedossiers zonder risico dat ze hun eigen dossier voor ogen krijgen. Deze situatie maakt het hele subsidieverhaal en vooral de hele beeldende kunst in Vlaanderen nog maar eens totaal ongeloofwaardig.
Kan er iemand dit goed praten? Allicht wel. Want dit is het fameuze Belgenland, hé. Waar alles kan en niets moet zolang we er maar een deel van hebben.
Als we nu eens beginnen om deze weligtierende vormen van kleine corruptie uit de (kunst)wereld te helpen. Zou toch moeten kunnen in een circuit dat zich soms o zo heilig waant.
Enfin, tot hier.
de volgende aub...
Heer vandeveire,
we zijn een twee nog jong groeiende kunstenaars (dichter, schilder) die volledig achter uw mening staan en omdat het de laatste tijd stil is rond u, hebben we uw werk voorgezet.Om eerlijk te zijn speelde het idee al lang rond in ons hoofd maar u was ons voor, wat de zaak alleen maar boeiender maakt. we zijn een beweging opgestart (achtung) die onze menigen omtrent kunst deelt. Zelf zijn we ook bezeg met een manifest dat ZAL verandering brengen omdat het moet. mij (simon van den bossche ) kan u vinden in boekenwinkel de limmerick (waar mijn dichtbundels ter inzage liggen) te gent (aan het station).In november houden we daar een kleine tentoonstelling en hopen we dat het manifest klaar is.
het hier afgebeelde is een voorwoord van een dichtbundel van me.Het manifest wordt u nog doorgemaild.
bedankt om ons te lezen
Achtung (constructive art)
Een echte definitie is er voor het woord kunst nog niet gevonden. Toch ervaart iedereen het woord kunst als iets speciaals. Dat komt omdat als men een kunstwerk ziet, men niet kan zeggen wat het werk precies tot kunst maakt. Bovendien zijn we er allemaal van overtuigd dat kunst iets van – over en voor het leven is. Temeer omdat men kunst beleeft vanuit de grond van het hart en men de universele gevoelens die achter een kunstwerk schuilen nodig heeft om te ontsnappen aan de dagelijkse ernst van de arbeid die op velen hun schouders drukt.
De moderne mens is een vrij onzeker mens die voortdurend op zoek is naar de betekenis van zijn bestaan, tevens ook naar een manier om zijn bestaan een nieuwe mooiere betekenis te geven. Hij verlangt naar een middel dat hem verlost uit de utilitaristische wereld waarin hij leeft en waar arbeiden veel belangrijker is dan genieten. Dat is het mooie aan wat kunst kan bieden. Kunst is een middel dan beter welk medicijn ook dat de wonden heelt. Kunst is iets dat tot de natuur behoort. Tot de wereld van het zijn.
De moderne mens bevindt zich in een cryptisch vrij labiele stemming waar de gulden middenweg ver te zoeken is. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen het niets en het alles. Tussen honger en donker.
Op dit ogenblik bevinden we ons in een kritische moment wat de geschiedenis van de kunst betreft. Mensen zijn empirische wezens die streven naar schoonheid. Universele schoonheid. Zoals bijvoorbeeld het gevoel van een gebroken hart, een oog dat tranen huilt, het verdriet van het vergeten, het hopen en geloven in de dingen die je soms niet verstaat.
Vandaag wordt de mens in kunstwerken weerspiegelt als bijvoorbeeld het vuil van een stad. Als verloren dieren die ten prooi zijn gevallen aan het post-modernisme. De hedendaagse kunst is geen zintuiglijk genoegen meer. Het laat ons ‘mensen’ niet meer heerlijk voelen en het herinnert ons niet aan de goede tijden van vroeger.
Kunst moet in de eerste plaats bezielen en toegankelijk zijn voor iedereen. Iedereen moet kunnen genieten van de ervaring kunst, wat op dit moment een heel moeilijke opgave is omdat alles tot op het belachelijke af conceptueel is en het schone niet meer benadrukt. Het gevoel staat niet meer centraal. Men streeft naar het niets in plaats van naar het alles. Bovendien kan en moet kunst gemaakt worden door verschillende standen van de maatschappij. Om de eenvoudige reden dat kunst een cultuurgoed is dat generaties met elkaar verbindt. Sommige mensen bezitten de gave om gevoelens die ons allen eigen zijn om te zetten in klanken, beelden, woorden. En het is dat wat kunst zo mooi maakt. Mooi zou moeten maken. Kunst moet ervoor zorgen dat je je nooit alleen voelt. Het moet aansluiten tot het worden, de schoonheid illustreren die in ons allen groeit en als de liefde soms iedereen voelt. De schoonheid moet in zijn zodanige benoemd en gediend worden. Kunst dient het bestaan te vergoddelijken.
Al hebben wij ook hier en daar enkele kritieken op Vande Veires pamflet; we zijn het er volledig mee eens dat het de hoogste tijd is om de hedendaagse kunst te 'renoveren'. Het steeds terugkerende verwijt lijkt echter te zijn dat de beste stuurlui aan wal staan; wel, wij steken van wal...
ACHTUNG! is het leven ingeblazen vanuit een groeiende, collectieve ontevredenheid met de hedendaagse kunst. Via talrijke brieven, discussies en uiteindelijk het opstellen van een nieuw, internationaal gericht kunstmanifest, willen we het huidige kunstklimaat terug een democratischer en'n socio-utilitair tintje geven.
De kerngroep is gevormd uit heel wat gesprekken te Firenze in de zomer van 2003, en bestaat heden uit voornamelijk beeldende kunstenaars, maar ook filosofen, muzikanten en schrijvers van allerlei nationaliteiten; heden zijn we dan ook werkzaam in landen zoals de VSA, Argentinïe, Engeland, Australië, Spanje, Italië en natuurlijk België.
Meer info op www.kobe.exto.be
Reacties altijd welkom.
hey ik heb echt een probleem...
vroeger had ik een vriendin 8 maand gehad en op ten duur had ik het uitgemaakt,maat stiekem vond ik haar nog wel leuk maar kwou geen vaste verkering (toen was ik 15)toen was ik op vakantie met 2 kameraden en leerde ze iemand anders kennen.maar toen ik trug kwam van vakantie wou ze me nog steeds maar ik haar niet en toen nam ze met die andere kerel.en toen ze net met hem had begon ze me in 1 keer uitteschelden met een vriendin dat ik vet arro deed en stoer ensow maar dat deed ik totaal niet en als ik ut haar nu vraag weet ze het al niet eens meer maar daar wordt ik zo onzeker van dat ik amper met meisjes durf te praten wat moet ik daar aan doen want kword echt helemaal gek!!!
nog een probleem.....
mijn ouders zijn sinds ongeveer 2 jaar gescheiden,en mn vader had al vrij snel een nieuwe vriendin.
maar toen zei er dus bij kwam in het BEGIN ging alles nog wel goed maar mijn vader ging al snel trouwen binnen een half jaar en toen ze getrouwd waren was ze opeens de baas in huis en wat we eerst allemaal mochten mocht opeens niet meer en mn vader had nix meer te zeggen door haar en daar ddor woon ik nou bij mn moeder en mn broer is ook ui huis gegaan door dat mens. maar men moeder heeft natuurlijk ook bijna geen geld en daar door doet ze net of ze echt geen geld heeft en mmn moeder heeft nou ook een vriend maar die woont niet bij ons in gelukkig want daar kan ik het ook niet echt mee vinden want als hij dr is is het net of er steds visite is en dat is egt niet tof......... kzit nouo zo in een dip dat ik elke dag denk aan zelfmoord ik wil niet dood maar ook weer niet leven daar zit ik dus tussen in ik word hier zo onzeker van hey dat ik nergens lol meer in heb ik hoop dat je me hiermee kann helpen!!!!!!!!!
en over dat arrogante kdenk nou echt bij elke actie van is dit nou niet arrogant en vinden mensen mij nou ook niet arrogant??? zo diep zit het in me!!!!! help me!!!1
“KUNST” IS AL SINDS EEUWEN EEN KWESTIE VAN BEHOREN VOOR DE HYSTERICI IN ONZE MAATSCHAPIJ.
Dit heeft consequenties op het vlak van wat we van kunst mogen verwachten. Combineer dit met een leproos post-modernisme en we komen al aardig in de buurt van een consumatorisch gerichte kunstproductie waarvan we de smadelijke uitwasemingen nog niet goed kunnen overschouwen, laat staan wat de toekomst van “Kunst” betreft.
Wat verstaan we hier onder “hysterici” ? Wanneer we de term hysterici gebruiken, dan houdt dit verscheidene aspecten in. In de eerste plaats zijn dit diegenen die de “semblant van onze maatschappij” doorprikken, die eerst meesters scheppen, meesters die het hen eens gaan leren, maar al even goed meesterbetekenaars die ze assumeren zolang het goed loopt, waarmee ze zich identificeren, aliëneren en goed voelen om dat “tekort” in hun leven op te vullen, die semblant te verbergen; om deze meester(betekenaar) vervolgens van zijn voetstuk werpen. Bijkomend kunnen we eveneens stellen dat niets voor hysterici ooit volstaat: “groter, beter, mooier, …” de cultus van de fallus, grondvest van een gefalliciseerde maatschappij waarin alleen prestatie nog belangrijk schijnt te zijn. Verder zijn hysterici net diegenen die zwichten voor de blik en het verlangen van de ander. Bovenal zijn hysterici diegenen die van het “niet weten” hun handelsmerk maken, het is juist dit “niet-weten” dat zich onthult via creaties, lapsussen, fascinaties en obsessies dat de motor is voor kunstproducties waarbij ze als het ware zelf verstoken blijven van de betekenis ervan, wat net een sublimering inhoudt van libidinale impulsen, sublimering in de zin van een maatschappelijk aanvaardde, zelfs geappreciëerde driftontlading.
Maar goed, laten we hiermee volstaan. Frank Vande Veire slaat spijkers met koppen wanneer hij stelt dat wanneer men het in de kunstwereld heeft over “kritiek”, dit betekent dat men niet kritisch onderzoekt en analyseert, maar betekent dat men zich een houding aanmeet, namelijk een houding waarmee men zijn scepsis laat blijken tegen alle uitgesproken meningen, theorieën, wereldbeelden, analyses, programma’s. Immers: elke al te scherp omlijnde visie op wat dan ook zweemt al te veel naar een ‘Groot Verhaal’, en het is passend hiervoor de wenkbrauwen te fronsen of ironisch te glimlachen. Het achterlijkste dat je in de kunstwereld kunt doen is een visie uit te werken of grondig door te denken. Het is trouwens ook niet netjes: wie een visie al te serieus neemt, glijdt al gauw af naar intolerantie, dogmatisme, fanatisme, misplaatste bekeringsijver. Visies dienen eigenlijk enkel om geïroniseerd, gerelativeerd, gedecontextualiseerd, ‘gesampeld’, geconsumeerd te worden. Maar in essentie is dit het hele probleem waarin onze “post-moderne” maatschappij ondergedompeld lijkt : er IS geen groot verhaal meer. Alle grote verhalen zijn verdwenen onder de noemer van de individuele cultuur, de persoonlijke godsdienst, de kleine masturbatoire mythe van een betere toekomst los van de sociale band. Jean-François Lyotard duidt ons hierop door te stellen dat er geen “Groot Verhaal” meer is, er is geen meta-narratief meer dat banden smeedt en gemeenschappen verenigt, dat richting geeft aan een denken , een bouwen, creëren, voortstuwen en hopen. Het contextuele kader is verdwenen. Dit impliceert ook dat de toeschouwer van conceptuele kunst inderdaad meestal context-setting door curatoren, kunstpausen en -critici en meer van dat soort nodig heeft; het kadert niet meer binnen het verhaal. Net omdat deze kunst dan iets onbegrijpelijks uitstraalt, verkrijgen deze kunstenaars bijgevolg het “sacrale aura” waarover Frank Vande Veire het heeft.
De kunstenaars krijgen de positie toebedeeld van diegenen die “het” nu eens gaan zeggen vanuit hun hysterische kritische ingesteldheid die er alleen maar en tegelijkertijd ook allesbehalve schijnt uit te bestaan een kritische pose aan te nemen. Vraag is of ze deze kritische pose ook al eens kritisch beschouwd hebben. De kans dat ze dat doen is klein, want los van het ontketenen van hun narcistische en libidinale impulsen die zich hoofdzakelijk formuleren in infantiele orale hallucinaties en anale destructiviteit heeft hun kunst ook als functie zichzelf een pose te geven, hun tekort kenbaar te maken en gelijktijdig te maskeren, hun verlangen te postuleren. Hun imaginaire pose , namelijk het zwichten voor de blik en het verlangen van de ander wordt geëncrypteerd door te doen alsof ze zich niets van de algemene opinie aantrekken. Doch, dit is zoals bij ieder kind van een ouder: je bent voor hun manier van doen, of je bent ertegen, en je gedrag zal steeds, of het nu voor of tegen hen in is, steeds geliëerd zijn aan je ouders, willen of niet. Net zo vergaat het de kunstenaars, ze zijn net die kleine kinderen die mee in de pas lopen van de critici omdat ze inzitten met wat de ander van hen denkt, ook al doen ze alsof het hun kouwe kleren raakt, om dan als een bezetene vooruit, achteruit of opzij te hollen, maar steeds weg van het centrum en dus verbonden ermee, in het kielzog van de bevestiging. De meester is ook alleen maar een meester omdat men hem ontkent in zijn positie van meester.
Dit hele vertoog kan de indruk wekken tegen “kritiek” of een “kritische houding” te zijn. Dit is toch niet de opzet. Maar we zijn van mening dat kritiek eigenlijk van ‘buitenaf’ dient te komen. Net zoals de sjamanen buiten de officiële priesterkaste stonden, maar als individu binnen een groep konden functioneren, zo dient ook de kunstenaar zich te verhouden tegen datgene wat hij bekritiseert : wanneer men ergens tegen is, ergens kritiek op wil spuien, zorg dan op z’n minst dat men zelf buiten dat discours treedt waarop men kritiek heeft zonder zich te laten verloochenen en verkrachten door mediatieke toestanden zoals curatoren, kunstpausen, kunstkenners, en opgeklopte “kunst” zoals de hausse rond de muscial-achtige versie van Les Misérables van Hugo of Helmut Lotti-toestanden. Kunst, net zoals de meningen erover, net zoals de kritiek die ze in zich draagt en propageert zijn consumptieartikelen van onze postmoderne maatschappij geworden die al even snel gekocht als weer weggeworpen worden. Kunst kan praktisch niet meer shockeren aangezien ze zich teveel binnen de gemeenplaats beweegt en er een legitiem onderdeel van geworden is. Kunst kan ook niet meer bijzonder schokkend zijn in dat opzicht dat men reproducties te makkelijk kan verkrijgen, de distributiekanalen te wijdverspreid zijn en de toeschouwers meer dan een overdaad aan de veronderstelde en door de kunstenaar gepropageerde catharsis te slikken krijgen. Mag er nog iets overschieten van het Grote Verhaal? En inderdaad, nu er geen Groot Verhaal meer is, dient er dan niet gewerkt te worden aan zulks? En in welke mate mag esthetiek geen norm meer zijn, en waarom niet? Esthetiek is datgene wat de kunst net makkelijker binnenleidt in het veld van de esthetiek: het schone is de laatste barrière vóór het genot en het reële. Het kunstwerk heeft via zijn metonymische en metaforische betekenisverschuiving en codering van driften en verlangens toch óók die bedoeling van “mooi” te zijn, of sociaal aanvaard ? Niet dat we hier een propaganda voeren voor een meer esthetische kunst, maar soms moet men zich afvragen wat de bedoeling is van al dit mutilerend gerecycleer dat het kunstlandschap heden ten dage teistert zonder dat de artiest zich nog dient te verantwoorden voor zijn creatie. De minimaalste vorm van ethiek veronderstelt immers dat men altijd de consequenties van zijn daden op zich moet nemen, dat men een kunstwerk signeert en de betekenis ervan onomwonden uit de doeken doet wanneer men gevraagd wordt verantwoording af te leggen voor zijn creatie. Tegenwoordig schijnt dit niet meer te gebeuren en leent men zich tot stropop van de man die het Grote Verhaal creëert. De artiesten zijn nog slechts puppets van de masters-of-puppets curatoren en critici. Het zijn niet meer de kunstenaars die een uitgesproken mening schijnen te hebben over hun eigen productie, wat men op z’n minst toch mag verwachten in deze huidige samenleving waar “kritiek”, “shockeren”, “ironie”, “alles-mag-niets-moet” de plak zwaaien. Neen, zij zijn de stilzwijgende aanbidders van de meester geworden. Hopelijk verzetten ze zich nog eens als echte hysterici tegen hun meesters in plaats van infantiel te vegeteren in hun libidineuze excrementen. Er is nood aan sublimatie. Er is nood aan een Groot Verhaal waartegen men zich verzet of waarmee men in koor meezingt. Er is nood aan een Groot Verhaal, want dit is wat mensen samenbrengt, niet de veronderstelde “kunst” op zich. Kunst is enkel een reclamemiddel, een afspiegeling, vormgeving, richtinggeving van het Grote Verhaal. Het Verhaal is de cement. Maar de mensen die het Verhaal nodig hebben kennen het enkel nog in vlagen van nostalgie, en werpen het weg na het eventueel eens opgepoetst te hebben.
Frank,
Mijn reaktie op je pamflet moet beginnen met een definitie van kunst:
Er is mijn inziens slechts sprake van kunst, wanneer er een drie-eenheid is van kunstenaar-concept-beeld.
Los van goede, slechte, achterhaalde of avant-gardistische kunst, moet deze drie-eenheid aanwezig zijn en dan is kunst een feit.
Je kan ruwweg zeggen dat, na de uit de hand gelopen grap van Duchamp met zijn pissoir, de kwaliteit van het
beeld van ondergeschikt belang werd terwijl het belang van het concept enorm groeide.
Er viel hierdoor veel uit te leggen, waardoor de analitici, de critici, de curatoren en ander zwaar theoretisch geschoolden hun kans grepen en de kunst enterden.Een regelrechte coup.
De kunstenaar , die van nature meer intuitief werkt,werd langzaam maar zeker in de rol gedrukt van illustrator van de door de theoretici bedachte nieuwigheden en verklaarde maatschappelijke veranderingen. De kunst werd als een mascotte van al deze, veelal door techniek aangestuurde veranderingen,ingezet en vòòr deze grote bewegingen bedacht en geplaatst. De avant-garde was geboren!
De ploeterende kunstenaar liet zich dit alles (en laat dit zich nog steeds) welgevallen. En hij zou wel gek zijn wanneer hij dit niet deed! roem, onsterfelijkheid en rijkdom zijn de worsten die deze sukkelaar wordt voorgehouden.
Helaas. helaas, vroeg of laat moet dit topzware karretje een keer omvallen.Hoewel de kleren van de keizer voor velen nog schitteren, begrijpen steeds meer mensen dat er is mis is. De vraag blijft of ze het ook in wìllen zien.Want ook gij ,Frank vande Veire, zijt verre van onschuldig. Ook uw getheoreticeer
heeft de kunst lang geketend. Maar er blijft altijd hoop en na het lezen van het pamflet lijkt er toch weer wat meer licht te stralen in de kerkers waar de kunst gevangen wordt gehouden.Daarom roep ik u op om nadat u uzelve werkelijk heeft bevrijd van de oude waanbeelden, u zich ingaat zetten om de kunstwereld te redden van zichzelve; bevrijdt de kunst van het waanidee van (de nooit bestaande) avantgarde, welke als een molensteen om de kunstennek zit. bevrijdt de hedendaagse kunst van de verstikkende hedendaagse kunst instituten.
En Frank, geef de witte raaf kleur.....
Want de kunstwereld is misschien doodziek, maar de kreativiteit blijft springlevend!
rest mij u te goeten en u te verzekeren dat indien u dit nodig mocht achten u van ons altijd ondersteuning bij uw strijd kunt krijgen.
Met enthousiasme,
Peter Bastiaanssen
Bastiaanssen
International
Rescue
PS.
B.I.R. houdt zich vanaf 1995 bezig met het redden van de hedendaagse kunstwereld middels het ontwikkelen en implementeren van projecten als;
art is a dog
en
art crows myths
Een wat verlate reaktie na het aanhoren van uw lezing in Leeuwarden.
Crises?
Wat is er indrukwekkender, dan dat wat wij ervaren van de wereld zich in ons omdraait naar zichzelf?
Dat wat daaruit voortkomt gevolg is dat tot een vorm van oorzaak kan worden?
Komt crises ervaren niet voort uit angst dat te verliezen waarvan we nu net zo mooi bedenken dat het bestaat en zelfs hoe het zou moeten bestaan?
Gebrek aan geloof dat er in ons, onder dat bewaakte oppervlak iets broeit?
Angst voor wat werkelijk tot leven komt?
Voor geraakt worden? Schaamte?
Komt daaruit wellicht het idee voort dat het kunstwerk autonoom dient te zijn?
Zodat we het veilig van afstand kunnen beschouwen?
Toeschouwer kunnen blijven?
Kunst kunnen blijven beoordelen en niet onszelf?
Anders gezegd het tot kunst kunnen veroordelen?
Kunnen doorgaan met menen te weten wat goed voor ons is?
Zolang er kunstenaars zijn met als doel het maken van kunstwerken, denken zij te dansen maar scheppen naar hun beeld dat hen het beste uitkomt.
Voor de mens die in permanente dialoog tast naar welke bekentenis hij de wereld doet, blijkt leven en werk als hijzelf, middel.
Zolang we ons gazon willen vrijwaren van wildgroei, tillen we die mens op en maaien onder zijn voeten de wortels door.
Je zult versteld staan, hij leeft vanuit gemeenschappelijke grond er zijn reeds uitzaaiingen!
Vriendelijke groet Fred Landsman.
www.fredlandsman.nl