wat gegevens over de plantage Aleijda aan de Cottica
groeten,
Philip Dikland
De suikerplantage Aleijda aan de Cottica
rechteroever in het afvaren
volgorde : Welgeleegen, Lankmoedigheid, Aleijda, Carelsburg, Naccaracibo
Alliance is het laatste bewoonde plekje aan het begin van de Cottica. Daarna is de rivier geheel leeg, er woont niemand meer. De plantages zijn door de natuur teruggenomen.
Ika Cameron, Philip Dikland en Ton Hagemeyer bezochten de plantage Aleijda in 2001. Er is niets van over, alles is begroeid met bos. Behalve een hopeloze hoeveelheid muskieten konden zij niets opmerkelijks ontdekken. De tocht werd door omstandigheden zonder gids uitgevoerd, en dat maakte het er niet gemakkelijker op. 't Moet nog eens worden overgedaan met een gids erbij.
chronologie:
aanleg plantage
De plantage werd in 1717 uitgegeven aan Francois Back. Deze noemde de plantage Rosendaal. Over deze Francois Back is niets in de archieven terug te vinden.
De tweede eigenaar was Andries Wossink (zie hieronder), omstreeks 1740 wijzigde deze de naam der plantage in Aleijda.
De ontstaansgeschiedenis is te volgen op een landmeetcertificaat uit 1825:
"...... Certifikaat
Relatief de suikerplantage de Alida weleer Rosendaal genaamt tans in de diviesie bekend onder L: D: no. 7 gelegen aan de rivier Cottica ter linkerhand in het opvaren tusschen de plantage Carelsburg en Langmoedigheid, welke onderwerpelijke plantage als voor één zesde aankomende M: J: Juliaans weduwe J: R: Swaan, welke voor één derde is erfgename van wijlen de weduwe J: Mohler geboren Koningstholf, bij den eerste exploicteur dezer kolonie onder executie is
1. Deze plantage is bij warand verleend door den heer gouverneur Johan de Mahonij dd 4 mei 1717 aan Francois Back en zulks zonder dat daarbij aan denzelve de verpligting is opgelegd om op dezelve des landheers approbatie te vragen ; dezelve is in het archief ter gouvernements secretarij aanwezig wordende daarvan copij authentiek voor dit een zesde aandeel vereischt
2. De kaart van deze plantage is vervaardigt door den geswooren landmeter Jan Fruitenier dd 26 augustus 1734 en geapprobeert bij resolutie van den heer generaal majoor gouverneur der kolonie Suriname van vrijdag den 1 april 1825 no. 94 ; dezelve niet zijnde overgelegd maar in het archief ter gouvernements secretarij voorhanden en wel in de portefeuille der rivier Cottica, zo heb ik daarvan op heden voor de belanghebbende een kopij geformeerdt
3. Deze plantage is volgens voornoemde kaart groot 1056 akkers gelegen aan een bogt der rivier beslooten door een lengte aan de westzijde van 92 kettingen 12 voeten, aan de oost zijlijn van 61 kettingen, en aan de agterlijn van 106 kettingen 17 voeten rhijnl: alles zodanig als door de figuur gemerkt A: B: C: D: op meergenoemde kaart in het geel word aangewezen
Aldus gedaan en in triplo afgegeven door mij ondergeteekende gezwooren landmeeter dezer kolonie alhier aan Paramaribo den 24 november 1825
Esser....." (register 1825, dl 2, archief dienst der domeinen te Paramaribo)
1737 - Andries Wossink (kaart Lavaux - no. 22, 1056 akkers)
De eigenaar van de plantage was in die tijd Andries Seiffert, genaamd Wossink (? - 1746). Wossink arriveerde in 1730 als officier in Suriname. Hij bouwde een carriere op als Raad van politie en Raad van civiele justitie. Hij huwde met Maria Anna Lemmers (1705 - 1789). Zij bezaten de plantage s'Gravenhage aan de Perica, en later de plantage "de Alia" aan de Cottica, genoemd naar hun dochter Alida.
Het waren Suriname's gouden jaren, en de twee plantages moeten schatten hebben opgebracht. Het echtpaar liet in Paramaribo aan het gouvernementsplein een riant woonhuis bouwen, dat nog steeds bestaat. Het werd onlangs fraai gerestaureerd. Echter staat het niet bekend als het huis Wossink, maar is genaamd naar Susanna Duplessis, die het huis later huurde.
Maria Wossink overleed in 1789, en is op haar plantage 's Gravenhave aan de Perica begraven. Haar grafsteen schijnt daar nog steeds te zijn. Oudschans-Dentz noteerde de tekst in 1920:
"..... hier rust een weduwvrouw
van meer dan veertig jaaren
en meer dan tachtig jaar
gesteegd in ouderdom
't was al geen voorspoed
die Marie is wedervaaren
neen wandelaar zij voelde ook zielsmart van alom
dan zag zij keer op keer haar lieve panden sterven
zij leefde en stierf tot heil van Bedloo's drie paar erve ...."
Maria's dochter Alida is drie maal getrouwd geweest : met Christiaan de Nijs, vervolgens met Joan Willem Gerard van Meel, en tenslotte met Everhardus Jacobus Coetzee (1743 - 1784). Zij vergrootte het familiebezit o.a. met de koffieplantage Katwijk op de nieuwe gronden aan de Commewijne.
Zij is formeel nooit eigenaresse van de plantage Alida geweest, want zij stierf vóór haar moeder in het jaar 1785. Toch hadden zij en haar echtgenoten wel iets te maken met het beheer van de plantage. Dit blijkt uit een beschrijving van John Gabriel Stedman:
".............alwaar ik een overdekt vaartuig met agt riemen vond, om my naar de Plantagie Catwyk aan de Commewyne te brengen. De heer Goetzee, een Hollandsch Zee-officier, die eigenaar van deeze fraaiie Plantagie was, had my op dezelve genoodigd. 'Er ontbrak geen vermaak, van welk zoort ook, in dit aangenaam verblyf. Men hield aldaar paarden, rydtuigen, vaartuigen, die altyd gereed lagen; maar hetgeen alle vermaak bedorf, was de Onmenschelykheid van Mevrouw Goetzee, die, om de geringste misslag, haare slaaven deed zweepen....."
"......In zoo veele onmenschelyke wreedheden een weerzin hebbende, verliet ik Catwyk, in het vast voornemen, om het zelve nooit wederom te zien. Niettemin was ik in gezelschap van den heer Goetzee, op verscheide andere Plantagien aan de Rivieren Cottica en Pereca. Op de Plantagie Alia, onder dit getal behoorende, haalde men my op beleefde wyze over, om aan een meisjen, hetwelk geboren wierd, een naam te geven, en ik noemde haar Charlotta; des anderen daags morgens, onder het ontbyt, wierden alhier zeven Negers strengelyk gegeeseld. - Ik begaf my vervolgens naar de Plantagie 's Gravenhage.........."
Mogelijk is Stedmans verhaal gekleurd, maar de plantages van Wossink waren in ieder geval niet geliefd onder de slavenbevolking. Immers, als de slavenmacht zich tevreden voelde op hun plantage, dan werden er geen afspraken gemaakt met de marrons, en dit is op één der plantages van Wossink wel het geval geweest:
"........ Woensdag den 20 Februarij 1771
's Avonds is er tijding gekoomen, dat de Wegloopers de Grond Hulshoff, en die van mevr. Wossink in de boven Cottica hebben afgeloopen, op eerstgem: was Een militair die zig dapper heeft verweert, verscheijde wegloopers gequest en Een gedood waarvan de hand hier is gebragt, doch eijndelijk is hij ook dood geschooten, de Blanke van laastgemelde Grond is overvallen en ten eersten vermoord geweest. Volgens opgave zouden er wel 200 Wegloopers geweest zijn. Den Burger Lieut: Jacot heeft ten eerste een Commando agter hen aan gezonden, doch vermits de Bosschen vol Water zitten en zij ten eersten de swampen insteeken, daar men water tot den Hals toe vind, is er wijnig succes te hoopen. ......" (gouverneursjournaal)
1793 - boedel wed. A. Wossink (almanak 1793)
De directeur was Balthum, de administratie werd gevoerd door H. M. Wolff
De mysterieuze opmerking op het graf van Maria Wossink: "...zij leefde en stierf tot heil van Bedloo's drie paar erven ..." heeft te maken met haar achterkleinkinderen. Alida's dochter Anna Maria de Nijs huwde in 1765 met Willem Bedloo. Uit dit huwelijk zijn 10 kinderen bekend, en 6 van deze kinderen - de overige 4 zijn waarschijnlijk vroeg gestorven - waren de erfgenamen van de plantages.
1821 - G. A. Entink nom. ux, J. J. Bronovo nom. ux., wed. Roux geb. Bedloo, wed. Bedloo geb. Meyer, M. A. Wolff, J. de Boer, J. A. Swaan nom. ux. (almanak 1821)
De deeleigenaar Johannes Aleydus Swaen (1774 - 1820) was tevens eigenaar van de grote koffieplantage Katwijk aan de Commewijne, en 's Gravenhage aan de Perica, beide het voormalig eigendom van Alida Wossink. Swaen was op de een of andere wijze verwant aan Alida Wossink, trouwens, zijn tweede naam geeft dat ook duidelijk aan. Hoe deze familierelatie in elkaar steekt, is nog niet duidelijk.
Hij voelde blijkbaar een grote verbondenheid met de plantage Katwijk, want hij liet zich er samen met zijn vrouw Margaretha Juliaens begraven. Zijn grafsteen, fraai gebeeldhouwd met familiewapen, ligt thans onder een van de arbeiderswoningen.
De tekst leest:
" .......Johan Alydus Swaen
Vr: Hn: Heer van Poederoyen
geboren den 17 februari 1774
overleden den 21 november 1820
voerende zestien kwartieren ........"
In 1830 bezocht M.D. Teenstra de plantage, om gegevens te verzamelen voor zijn boek "de landbouw in de kolonie Suriname". De slavenmacht bestond op dat moment uit 148 personen. Het riet werd verwerkt met een waterwerk.
1843 - fonds W. G. Deutz (1/2 deel) ; J: J: Bronovo (1/8 deel) ; mr. G: A: Entinck n.u. (1/8 deel) ; erven wed: J: F: Roux (1/8 deel) ; mr. A: Mosman (1/8 deel) (almanak 1843)
1000 akkers, suiker, 117 slaven. Directeur W: C: Limes, administrateur J: Zaal & J: F: en H: G: Roux
1863 - emancipatie
De eigenaar J.J. Bronovo nom. ux. ontving een "tegemoetkoming" groot f 24.600,= en f 600,= voor 86 slaven. De bekende Surinaamse familienamen Boschveld, Dammerhof, Hokstam, en Hoogstad origineren van de plantage Alida.
Zoals de achtervoeging het al aangeeft, was Bronovo de zaakwaarnemer voor de eigenaren. Deze waren:
Elisabeth Bedloo, echtg. van Jean Jacques Bronovo (Nederland) voor 1/8 aandeel
Adrianus Johannes Wilhelmus Mosmans (advocaat, Grave, Noord-Brabant) en echtg. Elisabeth Meijer, eerder weduwe van Everhardus Carel Bedloo (rentenierster, Grave) voor 1/8 aandeel
Sara Maria Andresa Bedloo, echtg. Gerhardus Entink voor 1/8 aandeel
Boedel Henrietta Wilhelmina Bedloo, eerder weduwe Jan Diederik Hoeuff en later Jacques Francois Roux:
Huis van Negotie van J. en. F. van Marselis, tot welk fonds behoort de plantage Alyda en Karelsburg, uit Amsterdam voor 2/6 aandeel
Na 1863 is de plantage al snel buiten gebruik gesteld. De plantage heeft nooit contractarbeiders aangeworven.
1863 - 2001 nog te onderzoeken
2001 - ledig en verlaten
Alwin Reumel, thans (2001) 78 jaar en wonende aan de Oost-West, woonde van zijn 18e tot zijn 45e jaar op plantage Arnhem, schuin tegenover Alida. Hij is duidelijk een dagje ouder, maar heeft een goed geheugen. Hij herinnert zich:
"...... Er woonde toen al niemand meer daar. Ik ging er regelmatig jagen, dus ik ken de plaats goed, maar ik heb nooit iets gevonden van de vroegere tijd. Alida was een suikerplantage geweest, dus er moeten veel dingen zijn geweest, maar ik heb gehoord dat er een ploeg met mensen is geweest om alles te slopen. Dat is gebeurd nog voordat ik op Arnhem ging wonen.
In die tijd woonden er in de streek nog veel mensen. De plantages Marseille en De Onderneming waren nog in bedrijf. Er waren daar Javanen. Ook op De Vrede en Mocha waren er mensen. Arnhem, waar ik woonde, werd bewoond door kleinlandbouwers. Op Mocha was een kerkje. Bethel, zo werd het genoemd. In de kerk werd school gehouden. Ook op plantage Mondesir was er een school. Er waren ook winkels, alles kon je daar krijgen. Een houwer kostte toen 60 cent, nu 16000 gulden.
Maar langzamerhand trokken de mensen weg. In de landbouw was er een ziekte in de cacao, en de mensen hielden ermee op en trokken weg naar Moengo en naar de stad. Toen sloten de winkels. Het werd moeilijk, en ik ben ook weggegaan. De Oost-West was in aanleg, en ik heb me daar gevestigd.
Tot onlangs woonde er in het gebied nog 1 familie, de familie Uiterwerf. Zij woonden aan de Motkreek. Maar zij zijn nu ook weg.
Oude dingen heb ik op de plantages nooit veel gezien. U moet weten, er kwamen ploegen met mensen om de waardevolle zaken op de plantages te slopen voor verkoop. Ik weet, dat er op Manheim en Elk Het Zijn nog sluizen zijn. Op Marseille zijn er kappa's. Ephrata heeft een gevangenis. Een oude schoorsteen kunt u vinden in de Oranjekreek.
Graven heb ik nooit aangetroffen, tenminste, wel gewone graven, maar geen oude met een steen erop. Ik heb nooit een fornuis voor de kappa's gezien......"
bronnen:
1 - F: Oudschans-Dentz, de herkomst der Surinaamse plantagenamen, West-Indische gids
2 - John Gabriel Stedman, narrative, ca. 1790
3 - ARA, notarieel archief.
In dit archief zijn redelijk compleet aanwezig de plantageinventarisaties 1695 - 1780. Echter, noch Rosendaal, noch Alida, komt er in voor.
4 - Heinrich Helstone, Oke ten Hove - emancipatieregisters 1863
5 - dienst der domeinen, Paramaribo, archief van grondwarranden
|